Slakken te land en te water

Bert Jansen verzamelt van alles, maar vooral zeeschelpen, zoetwaterschelpen en landslakken. Bert neemt me mee op slakkenjacht. Hij heeft een zeef aan een stok gebonden en haalt deze slakkenval door een sloot. Ik zie niets, maar Bert ontdekt een riempje, een pisidium en een te water geraakt landslakje. Er is een loep nodig om de schoonheid van de schelpdieren op waarde te schatten. Met vijf millimeter doorsnee blijft het riempje deze middag één van de grotere vondsten. Een riempje is een plat, rond schijfje. De windingen zijn smal en doen het slakkenhuisje lijken op een strak opgerolde broekriem. Dat heb ik uit Berts boek Kruipende huisjes , zelf had ik het nog niet bedacht. Het zou het riempje zijn van een minikabouter met een wespentaille. Er zijn vele soorten kleine, platte horentjes, de bekendste is de vier centimeter grote posthoornslak die je soms ziet drijven. Maar de meeste zijn piepklein en lijken op elkaar. ‘Valt mee hoor’, vindt Bert, ‘het riempje heeft als enige een navel, kijk maar.’ Ja zeg, door de loep wordt in het midden een kuiltje zichtbaar. …








