Natuurdagboek 2010
De schaamteloze, vrije koekoek

De schaamteloze, vrije koekoek

© foto: Harvey van Diek

De bloemen en insecten die verschijnen, zijn niet meer bij te benen. Vogels gaan nog. Vorige week zag ik de eerste gierzwaluwen. Drie van deze snelle jongens of meisje gierden van Zuid- naar Oost-Flevoland. Toen hoorde ik ook de eerste tuinfluiter, de eerste kleine karekiet, de eerste bosrietzanger. Maar die gierzwaluwen brachten de lente. De eerste koekoek hoorde ik juist op de regenachtige maandagochtend na een week zon. Ik werd om zes uur wakker en hoorde ‘koekoek’, gevolgd door ‘koekoekoek’, want bij een koekoek slaat de stem weleens over. Het gaat niet zo best met onze koekoeken. Hun leefgebied hier wordt er niet beter op, de grote rupsen waar ze zo gek op zijn, zijn niet meer zo talrijk, en in Afrika gaat hun winterverblijf er ook al niet op vooruit. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Weerloze stuntels van langpootmuggen

Weerloze stuntels van langpootmuggen

Langpootmug. © Maarten Westmaas

Ik kwam de eerste langpootmuggen alweer tegen. Muggen zijn niet mijn lievelingsdieren maar langpoten, och. Ze doen niets. Zelfs dat griezelig puntige achterlijf kan niet steken. Dat is de legboor, alleen vrouwtjes hebben er een. Bijten kunnen ze ook al niet. Voor bijten heb je tanden of kaken nodig. Langpootmuggen hebben een mondje waarmee ze hooguit wat nectar uit een nachtelijke bloem slobberen. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Waar één visdiefje is, zijn er meer

Waar één visdiefje is, zijn er meer

Visdiefje. Foto J.A. Leideritz

In de smalle rietkraag langs het meer in het midden van het land kwettert een kleine karekiet. Hij roept steeds ’karre karre karre kiet kiet’. Een vogel die zijn naam kent. Het is een prachtige lentedag, de eerste warme lentedag van het jaar en zeil- en motorboten varen langs.

Hé, het gekras van een visdiefje. Eindelijk, ik maakte me al ongerust, ze bleven wel lang weg dit jaar. Daar komt hij over het water aangevlogen, slank en sierlijk zoals het een stern betaamt. Waar één visdiefje is, zijn er vaak meer en nog twee passeren er. Ze zwenken, ze wieken, ze krassen, ze zitten achter elkaar aan. De volgende dag zijn ze terug in Groningen. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Zoemende Zandbijen

Zoemende Zandbijen

Grijze zandbij met stuifmeel.
FOTO MEINT MULDER Grijze zandbij met stuifmeel.

In de middagzon is het zandpad langs een plas opgewarmd, en de zandbijen vliegen bliksemsnel. Een meter voor me schieten ze ervandoor. Hun holletjes zijn zichtbaarder dan de zandbijen. Samen vormen de zandbijen één flitsende, zoemende bende. Grijze zandbijen zijn het. Foto’s mislukken. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Mauretaans dagboek: Te korte snorkel in de vloed

Mauretaans dagboek: Te korte snorkel in de vloed

In zee verschijnen vaak rugvinnen: dolfijnen. We hebben een bootje. De dolfijnen zwemmen mee en duiken er onderdoor. Zelf zwemmen we soms ook, bij wijze van douche. We zwemmen niet met dolfijnen. Wel bijna met haaien. Als we door de telescoop ringen staan af te lezen, voel ik de vloed langs mijn benen omhoog kruipen. Tien meter voor ons steken haaienvinnen uit de soep van waaierend zeegras. Twee haaien van anderhalve meter. Voor de zekerheid waden we vast naar het bootje.

Aan de overkant van een geul draven kanoeten rond, als naaimachientjes in de bodem pikkend. Maar wacht, één heeft problemen. Zijn ene pootje zit klem. Hij worstelt om los te komen. Is het een schelp die hem gevangen houdt? Een steen? Het is niet te zien. De vloed komt op. Hij zal weldra ten onder gaan. Eén van ons waadt erheen maar zakt meteen tot zijn kruis in het slijk. De vogel is onbereikbaar. Het water stijgt. Zijn soortgenoten, familieleden misschien, negeren zijn wanhopige gespartel. Ze blijven eten tot het water hun tenen overspoelt. In één beweging stijgen ze op en snorren ze naar hoger, droger terrein. De beklemde kanoet blijft alleen achter. Het water kruipt omhoog langs zijn poten, golfjes kabbelen tegen zijn buik. Zijn flanken en vleugels raken doorweekt. Alleen zijn kopje steekt nog boven water uit. Tot ook dat onder water verdwijnt. Nog zeker een paar minuten ploetert hij door en telkens als hij verdwijnt, steekt hij toch weer zijn snavel omhoog. Tot ook die snorkel te kort blijkt. Bedrukt lopen we verder.

(oorspronkelijk gepubliceerd 26 jan. 2009)

DELEN
Mauretaans dagboek: Zes reuzensnavels

Mauretaans dagboek: Zes reuzensnavels

Mauretanië. Drietenen tellen en aflezen in Iwik
Mauretanië. Drietenen tellen en aflezen in Iwik

Het dorpje Iwik is een Imraguen-dorp. Imraguen is een verzamelnaam voor Mauretaanse vissers die geen zwarte huid hebben, maar ook geen Arabieren zijn. In de Banc d’Arguin mogen de Imraguen van Iwik vissen, maar verder niemand. En zij mogen alleen vissen met ongemotoriseerde schepen. Regelmatig vissen er Senegalese illegalen met motorbootjes. Soms, als er een internationaal inspectieteam bij is, rukt de politie uit om bootjes af te pakken en vissers af te blaffen.

De vissers van Iwik varen door een diepe geul naar hun dorp. Hun stoere, houten zeilschepen zijn een schilderachtige achtergrond als we bij het klapnet op een vangst wachten. ’s Morgens vroeg houden rijen steenlopers de relingen bezet, allemaal op één oranje poot, hun kop in de veren. In de verte zweeft een roze linie flamingo’s over de donkerblauwe zee, witte zilverreigers en zwarte rifreigers, verschillende soorten sterns; er zijn genoeg vogels te zien. Soms dendert een torpedo voorbij, die zich in een uiteen stuivende wolk steltlopers stort. Dat is dan een Barbarijse valk, een slechtvalk of een lannervalk. Meeuwen zijn er ook. Mantelmeeuwen, grijskopmeeuwen en vooral dunbekmeeuwen. De laatste komen af op de rottende visprut die dorpelingen hebben gestort, en waar wij het net hebben geplaatst. We vangen ze zelfs, maar laten ze meteen weer vrij. Er komen nog lijviger gasten af op de rottende vis-aroma’s. Ze komen aangepeddeld en beklimmen de hoge, steile strandwal. Dat kunnen wij niet zien, maar ineens verschijnen er zes grote, witte vogelkoppen met zes reuzensnavels. Ze gluren over de strandrand, maar komen niet hoger. Zes bakkesen van pelikanen.

(oorspronkelijk gepubliceerd 24 jan. 2009)

DELEN
Oranjetip in Flevoland

Oranjetip in Flevoland

Oranjetipje. © FOTO GERBEN

Deze lente struin ik wekelijks door Flevoland. Voor die provincie schrijf ik een boek over de Flevonatuur. Flevoland is beroemd om de Oostvaardersplassen en zeearenden. Maar er is veel en v

eel meer natuur. De maagdelijke, kalkrijke bodem zorgt er voor een keur aan zwammen, varens en planten. Daarop komen vlinders af. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Mauretaans dagboek: De man in blauw

Mauretaans dagboek: De man in blauw

 

Mauretanië. Wenkkrab
Mauretanië. Wenkkrab

We lopen langs zee. Honderden wenkkrabben houden ons in de gaten. Ze golven als rode tapijtjes weg. Regenwulpen kraken ze met hun lange, terneergeslagen snavel. Er liggen duizenden tweekleppigen, ze worden bloedkokkels genoemd, maar het zijn arka’s: Anadara senilis. Reuzenslakkenhuizen kruipen over dikke pakketten zeegras. De slakken hebben een schelp van soms wel dertig centimeter, maar een nog grotere voet, te groot om in het huis te verbergen. Er zijn bolle en slanke. De bolle heten Cymbium pepo, de slanke Cymbium cymbium. Die heeft een ronde richel om de top, waarop je een lege schelp kunt neerzetten.

Omdat ik schelpen zoek, blijf ik achter. Een man in een blauwe jurk en hoofddoek loopt al een tijdje achter en nu naast me. Als ik een schelp wil oprapen, schiet hij toe en grist hij hem weg, waarna hij hem mij aanbiedt. Ik neem de eerste schelp aan en zeg sjoekran, want Arabisch is hier de officiële taal. Meteen zwelt de stroom aangeboden schelpen aan tot onhandelbare omvang. Ik bedank nogmaals, maar nu voor de eer en haal de anderen in. We tellen strandlopers, terwijl een visarend overvliegt. Vlak naast ons gaat de blauwe man languit op het zand liggen. Blijkbaar hoort hij er helemaal bij en heeft hij niets te doen. Als we verder lopen, loopt hij weer mee. Hij zucht en gebaart dat we zo ver lopen en dat hij wil uitrusten. Glimlachend heffen wij onze handen op, ten teken dat wij het ook niet kunnen helpen. Dan verdwijnt hij in hetzelfde niets als waaruit hij eerder verscheen.

(oorspronkelijk gebpubliceerd 23 jan. 2009)

DELEN
Mauretaans dagboek: Vangst

Mauretaans dagboek: Vangst

Mauretanie. Net klaarleggen in Iwik

We zitten in het mulle zand in de schaduw van een uit drijfhout, visnet en landbouwplastic vervaardigde schutting. Het koord naar het klapnet ligt onder handbereik. Dorpskinderen en enkele volwassenen komen om ons heen staan. Ook kippen scharrelen toe. Twee schattig uitziende meisjes slepen een dood geitje mee en bieden het ons aan. Wij bedanken beleefd. Ze duwen het geitje tegen ons aan, sleuren het dan aan één poot mee naar het water en smijten het in zee. De drietenen naderen het net bijna dicht genoeg. Een man loopt er vlak langs en jaagt ze op. Ze snorren uit zicht achter de steile strandwal. Maar ze dribbelen terug. Jeroen pakt het koord en kijkt gespannen. ‘Nog heel even en dan…’ Dan rijdt de parkwachter zijn pick-up rakelings langs de scheerlijnen. De vogels vluchten. Het wachten duurt lang en de toeschouwers druipen af, rondslingerend afval vertrappend. Ook de kippen druipen af, maar een kloek met negen kuikens stevent op het net af. Daar sjouwen wat steenlopers rond en zeven drietenen. De meeste blijven net buiten bereik van het net. Langer wachten heeft geen zin. Het is vloed geweest en de vogels zullen weldra het wad opzoeken. Jeroen rukt aan het koord, het net flapt door de lucht en vangt vijf drietenen. Als bijvangst hebben we een kip en acht steenlopers, veel zwaardere jongens dan drieteentjes. De drietenen worden gekleurringd. Eén van de zeven heeft die kleurtjes al, die is vorig jaar geringd. Er vliegen al honderden geringde drietenen rond en steeds vaker wordt er op trek zo’n beestje in Europa teruggezien.

(oorspronkelijk gepubliceerd 22 jan. 2009)

DELEN
Mauretaans dagboek: De vishopen

Mauretaans dagboek: De vishopen

Het vissersdorpje Iwik ligt in het mulle zand aan zee. Het bestaat uit krotten van planken, golfplaat en platgeslagen oliedrums, bijeengegord met stukken visnet. Een strook zand aan de zeezijde fungeert als dorpsplein. Er liggen enkele lanches aan de steile strandwal: rondborstige, houten vissersschepen met één groot zeil. Het dorpsplein is tevens vuilnisbelt. Bergen visafval rotten er weg en overal slingeren vissen, visgraten en vissenkoppen rond. Er ligt zelfs een haai. Als je je voet openhaalt aan een graat, is de kans klein dat je er zonder gruwelijke infectie mee wegkomt. Toch sjouwen drieteenstrandlopers over de vishopen. Dat is moeilijk te rijmen met de veronderstelling dat broeden boven de poolcirkel hygiënische voordelen biedt, evenals overwinteren aan zee.

Aan de Noordpool en aan zee loopt een vogel minder risico op ziektekiemen, zodat een vogel energie kan besparen op het afweersysteem. Voor kanoeten lijkt dat aardig op te gaan, maar als drietenen in deze drek rotte vis en maden oppikken, dan moeten ze een microbiële dierentuin oplopen van wat heb ik jou daar. En dan bouwen ze weerstand op, want anders zouden ze ziek worden of op zijn minst zwerende poten krijgen. Jeroen is benieuwd hoe dat zit en wil uitstrijkjes nemen van keel en cloaca, het multifunctionele achterwerk van vogels. Daaruit vist Jeroen de microben.

Maar dan moeten we de vogels eerst vangen. We plaatsen een klapnet op het visafval. Het net staat op scherp, op twintig meter afstand vegen we een meter zand schoon om te wachten, een lang touw binnen bereik. Daar strijken de eerste vogels neer. Ze scharrelen naar het net…

(oorspronkelijk gepubliceerd 21 jan. 2009)

DELEN