Boeken
De spreeuw

De spreeuw

boek de Spreeuw van Koos DijksterhuisUit het raam van de klas keek ik verlangend naar buiten. Ik was veertien en zat in de derde. Boven de flats van Amersfoort uit torende de Lange Jan zonbeschenen de wolkeloze hemel in. Nog twee lesuren… Na school fietste ik het bos in. Via de oude beukenlanen in het door de A-28 afgesneden landgoed Nimmerdor, over de fietsbrug, langs de Paradijsweg tot de Treekerweg, daar rechtsaf tot het Treekermeertje, een afgesloten privédomein waar ik stiekem rondliep en reeën zag. Dan terug via hotel Den Treek, waar een kerkuil in de duiventil woonde, en vervolgens het lange fietspad naast de Houtweg af, waar ik zwarte spechten zag baltsen, mijn eerste havik ontdekte, een ringslang ontmoette en eekhoorns, vele eekhoorns.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Wildernis is menselijk

Wildernis is menselijk

Hooiland in beekdal, door mensen gemaakt natuurlandschap. Foto Koos Dijksterhuis
Hooiland in beekdal, door mensen gemaakt natuurlandschap. Foto Koos Dijksterhuis

Vaak wordt beweerd dat er in Nederland geen echte natuur meer is. Daarachter schuilt het idee dat natuur een wildernis is, volkomen losstaand van de mens. Dan is er op de hele wereld geen natuur meer. Tot Antarctica is de zee vervuild met plastic, de lucht met rookdeeltjes, wordt vis uitgeroeid, doen onderzoekers metingen en kijken toeristen naar pinguins en albatrossen, zolang die er nog zijn.

In Nederland zijn al duizenden jaren mensen actief. Mensen waren jagers-verzamelaars, net als beren. Ze wisten Nederland ongetwijfeld te waarderen, toen het een koude, maar grazige vlakte was met reuzenherten, oerossen en paarden. Elfduizend jaar geleden werd het warmer, raakte Nederland bebost en werden graseters schaarser. Mensen vestigden zich in nederzettingen. De landbouw begon, al bleef dat nog heel lang een extensieve landbouw. Mensen bleven vanuit hun hoeves en dorpen jagen en verzamelen.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Supersnelle Drieteen, langeafstandstrekker en snelheidsduivel

Supersnelle Drieteen, langeafstandstrekker en snelheidsduivel

Artikel van Jeroen Reneerkens, Rijksuniversiteit Groningen (NL)
in tijdschrift Mens & Vogel, jan. 2011

Iedere strandwandelaar heeft wel eens Drieteenstrandlopers gezien. Ook in België en  Nederland zijn de kleine witte vogels, die heen en weer voor de golven uit dribbelen, een veelvoorkomend gezicht. Ze laten zich vrij gemakkelijk benaderen en rennen soms een  tijdje met je mee. Van de nazomer tot de lente zijn ze vrijwel op ieder zandstrand of elke  stenige kust ter wereld te zien. Begin juni trekken nog aanzienlijke aantallen door Europa  richting broedgebieden in hoog Arctische poolstreken. Halverwege juli verschijnen de  eerste vogels (nog in broedkleed) alweer langs de Europese kusten, waarschijnlijk als  gevolg van een eierenetende poolvos die een abrupt einde maakte aan de broedpoging.

Lees het volledige artikel
(pdf, 2MB, opent in nieuw venster)

DELEN
Jong en wild

Jong en wild

Verrassende natuur in Flevoland

Auteur: Koos Dijksterhuis
Uitgever: KNNV Uitgeverij
Uitvoering: 192 pag., 21 x 24 cm, genaaid gebrocheerd, full colour met talloze foto’s en kaartjes
ISBN: 978 90 5011 359 5
Prijs:  € 9,95

Verkrijgbaar in de boekhandel en via www.knnvuitgeverij.nl

 

DELEN
Inleiding Jong & Wild, verrassende natuur in Flevoland

Inleiding Jong & Wild, verrassende natuur in Flevoland

Flevoland mooi

‘De natuur van Flevoland? Kon je geen andere provincie kiezen?’ Een vriend van me begon over zijn regelmatige autorit over de A-6: saai, lelijk! Ik begon als een evangelist de natuur van Flevoland te prijzen. Ik ageerde dat ik voor dit boek veel door die provincie struinde. De wegen zijn er recht, gaf ik toe, de akkers groot, de boerderijen hypermodern, de bedrijventerreinen uitgestrekt en troosteloos. Allemaal waar. Een kleinschalig agrarisch heggenlandschap is er nauwelijks. Flevoland is in de hoogtijdagen van de industriële landbouw en de ruilverkaveling ingericht. Er hoefde niets herverkaveld te worden, het land kon op de tekentafel efficiënt verdeeld worden in grote rechthoeken: de toekomstige percelen. De geplande productiebossen bestonden meestal uit een aantal van zulke percelen. De Flevolandse bossen zijn vaak recht en hoekig. Bijster romantisch klinkt dat allemaal niet. Maar waar de rest van Nederland met zijn eeuwenoude cultuurlandschap op de schop is gegaan, is platgespoten, rechtgetrokken en ontwaterd, ging het in Flevoland juist de goede kant op. Het begon met Kamperhoek, waar ’s lands eerste natuurontwikkelingsterrein ligt, met moerasbos, water en prachtige, natte rietvelden. De Oostvaardersplassen ontstonden, het bewijs dat er in vrij korte tijd natuur kan ontstaan van internationale faam. Ze zijn vaak nat, de natuurgebieden van Flevoland. Moerassen, plassen, randmeren; Flevoland heeft er veel van. Met bevers, roerdompen en grote karekieten. De provincie streeft naar een geleidelijjke overgang tussen land en water. Kustzones worden drassig gemaakt en voor de kust moeraseilandjes aangelegd.

Ze zijn nog maar met weinigen, maar de Flevolandse akkerbouwers die voor erf- en akkervogels zorgen, pakken dat al even grootschalig en efficiënt aan als hun bedrijfsvoering. Met akkerranden van wel dertig meter breed, waar het ritselt van de gele kwikstaarten. Met dijken vol orchideeën, een erf met zomertortels.

Sommige wegbermen in de Noordoostpolder worden botanisch beheerd. Het effect kan zich na enkele jaren al meten met de mooiste valleien op de Waddeneilanden en in Zuid-Limburg.

Geen provincie is zo ver gevorderd met de Ecologische Hoofdstructuur als Flevoland. De bossen worden er al jaren natuurlijk beheerd, in veel bos wordt helemaal niet meer gekapt. En wat voor bos! Qua bos staat Flevoland met stip op 1 in de Nederlandse provincietop. Net als de landerijen zijn de bossen er groot. Het Horsterwold is één van de grootste loofbossen van de Europese Unie. De bossen zijn omzoomd met struwelen van meidoorn, sleedoorn, liguster, wegedoorn en zoete kers. Er broeden zwartkopjes, nachtegalen, wielewalen, appelvinken. Er hebben zelfs grauwe klauwieren gebroed.

De Flevolandse bossen zijn geweldig, zo kom je ze nergens tegen. Ze zijn jong, al zijn ze toch al veertig, vijftig, zestig jaar oud. En ze staan op rijke, vruchtbare klei. Afgezien van een paar populierenakkers staan vrijwel alle Nederlandse bossen op arme zandgrond. In Flevoland groeide het bos ongekend snel, veel sneller dan ’s lands houtvesters voor mogelijk hielden, de bomen zijn groot, het bos lijkt ouder dan het is. De maagdelijke zeebodem vol schelpenkalk lokte bovendien de meest bijzondere varens, mossen en zwammen het bos in.

En wat het mooiste is: je komt in Flevolandse bossen geen mens tegen! Dat komt, er is veel bos en er zijn weinig Flevolanders. Randstedelingen zijn bereid om uren in de file te rijen voor een snuifje Veluwe. Dat ze niet in de rij staan voor Flevoland, komt doordat ze denken dat Flevoland lelijk is. Ze denken aan regelrechte wegen door platte polders. Ze denken dat de enige natuur er de Oostvaardersplassen zijn. Laat ze dat maar denken, straks komen ze nog met miljoenen in hun auto’s naar Flevoland. De Flevolandse natuur is natuur voor de liefhebbers van groots en stoer en tegelijk voor de fijnproevers.

Die vriend van me wilde na mijn betoog wel eens wat meer zien van Flevoland dan de bermen van de A-6. Ik liet hem een vossenfamilie zien langs de Praamweg, het uitzicht in de Stille Kern, de zeearend in het Ketelmeer, oranjetipjes in het Harderbos en dodaarzen in het Horsterwold.

Koekoeken, boommarters, edelherten, kluifjeszwammen, tongvarens en bijenorchissen; in dit boek komt u ze tegen. Ook boswachters, natuurtalenten, boeren, bestuurders en wandelaars  komt u tegen, evenals de gebieden waar ze werken of wandelen. Leest u het zelf, maar leest u niet te lang. Ga liever eens kijken in Flevoland. U zult versteld staan!

Groningen, juli 2010

DELEN
Mauretaans dagboek: Dribbelaar

Mauretaans dagboek: Dribbelaar

Als we drieteenstrandlopers vangen, brengen we ze in een krat per auto naar het veldstation, waar we ze meten, wegen en ringen. Uit het gewicht is onder meer af te leiden of ze in conditie zijn. Als maat voor hun omvang gelden de vleugellengte, de kopomvang, de lengte van hun teen en vooral van hun tarsus. De tarsus is bij een vogel wat bij ons de voet is. Bij vogels staat die voet rechtop, ze lopen op hun tenen. Wat een knie lijkt is hun enkel. Drietenen lopen op drie tenen aan elke voet. Alle andere strandlopers hebben een vierde teen die naar achteren steekt. Drietenen niet en ik heb eens gelezen dat ze daarom zo goed kunnen rennen. Maar Jeroen betwijfelt dat, en bewezen is het niet. Hoe dan ook, drietenen zijn echte loopvogels. Ze rennen langs de waterlijn aan zee.

Ze overwinteren op stranden van Schotland tot Zuid-Afrika. Sommige blijven in Nederland, andere gaan naar Mauretanië, de volgende gaan naar Ghana. Tegenover de langere vliegreis staat een hogere temperatuur en een lager energieverbruik. Jeroen wil achterhalen wat de voor- en nadelen van die drie plekken zijn.

Drietenen broeden heel noordelijk, er zijn maar weinig gebieden noordelijk genoeg: enkele Canadese eilanden, het noorden van het Siberische schiereiland Taimyr en Noord-Groenland. Daar brengt Jeroen drie zomers door. In twee zomermaanden je kuikens grootbrengen, is haastwerk. Sommige drietenen zouden zelfs twee gezinnen opvoeden. Maar dat blijkt een mythe, ontdekt Jeroen in Groenland. Hoe? Lees het in Een Groenlander in Afrika.

(Oorspronkelijk gepubliceerd 28  jan. 2009)

DELEN
Column De Drieteenstrandloper

Column De Drieteenstrandloper

In november is het strand leeg. Of nou ja, bijna leeg. in de verte loopt een wandelaar. Hij gooit iets weg,wat door een hond geapporteerd wordt. En er zijn vogels. Vijftien, twintig drieteenstrandlopers staan op een kluit. Het is vloed, de vogels wachten tot de zee zich terugtrekt en ze op het vochtige, droogvallende zand wormen kunnen vangen. Het waait straf en kil uit het oosten. Ze kleumen achter een hoopje zeewier. Elk op één poot, op drie tenen dus. Met hun kop in de veren zijn ze net iets hoger dan hun plantaardige windscherm. Ik begluur ze van veilige afstand door de telescoop. Twee drietenen dreigen buiten de boot te vallen. Ze staan naast de rest en vangen de wind. Dat wil zeggen: één van beide vangt de wind. Die hipt op één poot opzij, de luwte in, waarbij hij zijn kop niet uit de veren haalt. Van zijn sprongetje schrikt de ander, die iets naar buiten hipt en nu in de wind staat. Die hipt vervolgens terug, waarvan de ander schrikt. Zo lossen ze elkaar een tijdje af. Tot één zich erbij neerlegt, al blijft hij staan. Hij draait een kwart slag, waardoor hij zijwind vangt. Mij lijkt dat onvoordelig, maar ik weet niet wat er in het drieteenkoppie omgaat. De wind waait zijn veertjes uit model, ze staan als een punkkapsel overeind. Hij leunt zijwaarts tegen de wind, zijn ene pootje staat bijna diagonaal, zo scheef. Zijn andere pootje houdt hij zo hoog opgetrokken, dat er niets van te zien is. Plotseling schiet hij langs de groep naar voren. Naast het zeewier heeft hij iets ontdekt. Hij trekt, hij sjort, er komt een worm tevoorschijn. Het is een lange, dunne worm. De drieteen houdt hem strak gespannen, maar trekt niet zo hard dat de worm breekt. Hij heft zijn kop steeds hoger, tot hij niet meer verder kan. Met geheven hoofd maakt hij een achterwaarts sprongetje, waarbij de worm los schiet. Plotseling vliegt de rest van de groep er in één beweging vandoor. De wormenvanger volgt. Een driehoekje zand naast het zeewier blijft achter, vol pootafdrukjes. Pootafdrukjes van drie tenen. De worm kronkelt lang en dun. Waarom zouden ze nou zijn weggevlogen? Een slechtvalk? Net als ik omhoog wil turen, hoor ik gehijg naderen. Ik kijk om. Er komt een hond aanrennen. Hij legt een tennisbal voor me neer, kijkt me hoopvol aan en blaft.

Koos Dijksterhuis, Gesproken column op Vara’s Vroege Vogels radio 1

DELEN
Mauretaans dagboek: Kanoet

Mauretaans dagboek: Kanoet

Met eb vallen de wadplaten en zeegrasvelden in de Banc d’Arguin droog. Ideaal voor kanoeten. Kanoeten eten schelpdiertjes. Die slikken ze zonder kauwen door en kraken ze in hun gespierde maag. De weekdieren graven zich in, maar kanoeten vinden ze met een vleermuis-achtige techniek. Hun snavelpunt zit vol hooggevoelige zenuwen. Door in de bodem te pikken, veroorzaakt een kanoet een drukgolfje. Dat plant zich voort, wordt door schelpen teruggekaatst en opgevangen door de snavel.

Lees Meer Lees Meer

DELEN