In Nederland is ie zeldzaam, maar de laatste jaren worden er iedere zomer wel een paar gezien, tot in Friesland en Groningen toe. De kans op waarnemingen stijgt, want het is een zuidelijke soort, en ons zeeklimaat wordt steeds zuidelijker, zoals u de laatste weken wel heeft gemerkt. Mocht ie er zijn, dan is ie niet over het hoofd te zien, want de blauwzwarte houtbij is onze grootste bij; zo groot als een fiks tuinhommel. Bovendien heeft ie een gitzwart lijf met paarsblauwe vleugels. In eerste instantie denk ik meestal aan een kever, als ik er een zie. Ik heb trouwens nog nooit een blauwzwarte houtbij in Nederland gezien; alleen in mediterrane landen. …
Een lezeres stuurde een foto van een meeltor die ze in huis aantrof, met de vraag of het “de boktor” was en of ze zich zorgen moest maken.
Dé boktor.
De boktor zou huizen opvreten, of toch op z’n minst de zolder. Deze mythe is het gevolg van de huisboktor, wiens larven in zolderbalken leefden. Er zijn boktorren wier larven levende bomen kunnen aantasten, zoals de Aziatische boktor die we in onze handelsdrift uit China hebben ingevoerd. Maar de meeste boktorlarven leven, zoals veel keverlarven, in dood hout. …
Een lezer mailde me twee vragen. Hoe komt het dat er zo weinig mieren zijn en hoe komt het dat er zoveel spinnen zijn? Hij gaf het antwoord erbij: de droogte. Een lezeres mailde dat ze zoveel vlinders zag, en ze dacht dat dat aan de warmte lag. …
Sommige nachtvlinders lijken onopvallend grauw, maar laten als ze vliegen ineens felgekleurde achtervleugels zien. Je zou ze ook ondervleugels kunnen noemen, want als ze overdag rusten zitten ze onder de gecamoufleerde voorvleugels gevouwen. …
De kolibrievlinder staat te boek als algemene trekvlinder. De Vlinderstichting noemt hem op haar website zelfs “zeer algemeen”. Wel, als kolibrievlinders zeer algemeen zijn, dan moeten koolwitjes en dagpauwogen wel extreem super-algemeen zijn. Of ik kijk niet goed. Ik heb nog maar een paar keer een kolibrievlinder in Nederland gezien. Dat ik in Groningen woon en op Schiermonnikoog vakantie vier helpt niet, want kolibrievlinders komen uit het zuiden. Ik heb één keer zo’n beestje in mijn tuin gezien en één keer op Schier. …
In mijn tuin bloeit Jacobskruiskruid. Wat een geweldige insectenplant is dat toch. Als ik buiten koffiedrink, zie ik vier vlindersoorten op de gele bloemen plaatsnemen en nectar slurpen: groot koolwitje, klein koolwitje, Icarusblauwtje en hooibeestje. Aard-, akker- en steenhommels zoemen er de hele dag omheen, honing- en andere bijen zitten erop, evenals allerlei soorten zweefvliegen. Ook andere vliegen zijn gek op Jacobskruiskruid. …
In de berm van de landweg waar geliefde en ik lopen is een buis verticaal ingegraven. Het is een buis met de doorsnee van een flinke emmer en de diepte is zo’n twee emmers. Onderin loopt een rubberen leiding. De cilinder is kennelijk bedoeld om bij die leiding te kunnen voor controle of onderhoud. …
Iedere zomer is er wel een lezer uit Noord-Brabant of Limburg die mij lekker maakt met een foto van een phegeavlinder. Ik heb er nog nooit een gezien. Die fraaie beestjes verlaten Brabant en Limburg niet graag. Ze zouden het waarschijnlijk van harte eens zijn met Theo Maassens opmerking: “het enige goede uit Amsterdam is de sneltrein naar Eindhoven”.
Ook in Vlaams Limburg en Brabant komen ze voor, maar in Groningen zie ik nooit phegea’s. Ik ben blij verrast als ik na aankomst op ons eerste vakantie-adresje in Kroatië langs een achterafpaadje een phegea zie. Mijn hart maakt een sprongetje, mijn stem slaat over en na het hakkelend aanwijzen van de bezienswaardigheid richt ik mijn camera. Helaas, de vlinder laat zich niet kieken.
De volgende dag maken we een lange voettocht door de omgeving en zie ik er gelukkig meer. Sterker nog: het wemelt ervan. Overal phegea’s. Ze lurken aan de bloemen van beemdkroon, ballote en braam. Ze fladderen om ons heen, alsof ze ons net zo fascinerend vinden als wij hen. Ze blijven vaak even zitten, soms zelfs op een van onze schouders. Ze zijn heel makkelijk te fotograferen.
Phegea’s zijn nachtvlinders, net als de aan hen verwante bloeddrupjes ofwel Sint-Jansvlinders. Beide soorten zijn nochtans overdag actiever dan ’s nachts. Vlinderkenners hebben het zonder ironie of gêne over ‘dagactieve nachtvlinders’. Die bloeddrupjes, met rode in plaats van witte vlekjes, zien we ook veel. Phegea’s zijn zoals veel vlinders genoemd naar een personage uit de Griekse mythologie. Vanwege de witte stippen worden ze ook melkdrupjes genoemd, analoog aan de rood-gevlekte bloeddrupjes.
Mijn dag is helemaal goed, te meer daar we ook allerlei parelmoervlinders, konings- en koninginnepages, keizersmantels, zandogen, dikkopjes en dambordjes zien en nog een heleboel andere vlinders. Om over de boktorren, bijenwolven en andere kleurrijke kevers nog maar te zwijgen. Wat een insectenrijkdom!
Phegea’s vliegen de hele zomer rond, en overwinteren als rups. Die rupsen lusten allerlei planten, al vinden ze paardenbloemblad het lekkerst.
(Natuurdagboek Trouw maandag 16 juli ’18)
Recensie – Handboek voor natuurwandelingen, in Bionieuws