Rouwmantels

Rouwmantels

Rouwmantels Foto Ronald van Houten ndb
Rouwmantels. Foto Ronald van Houten ndb

Mijn eerste rouwmantels zag ik veertien jaar geleden in het oosten van Polen. Bewust althans. Ik was vaker in Polen geweest, en in andere landen waar ze voorkomen, en heb ze vast eerder gezien, maar kan me dat niet herinneren.

Later zag ik ze in Zweden en zowaar ook in Zuid-Limburg, tijdens een wandeling die ik beschreef in mijn Handboek voor Natuurwandelingen.

Het is 4 mei en de mantels rouwen. Het gekke is dat de vlinders geen zwarte rouwrand hebben, maar juist een witte. Hun naam danken ze aan hun verdere donkerte. Ze zijn niet zwart, maar donkerrood, met een zwart randje (ah, toch een rouwrandje!) waarin blauwe pareltjes glinsteren.

Rouwmantels, kortom, zijn schitterend. Ze zijn ook groot. Wellicht hebben ze met dat grote lijf relatief veel energie nodig – ze zitten vaak hars te likken van een beschadigde boom en zijn ook gek op overrijp fruit. Ze eten soms in het hachelijke gezelschap van hoornaars.

Tot 1964 kwamen rouwmantels in Nederland voor. Sindsdien komen er soms dwalende individuen het land in, zoals wellicht ‘mijn’ rouwmantel in Limburg, maar als standvlinder zijn we ze kwijt. Wel waren er in de nazomers van 1995 en 2006 invasies, met honderden waarnemingen over het hele land.

De plekken waar ik ze heb gezien, waren moerasbossen met veel dood hout en veel levende wilgen. Dat is precies waar rouwmantels van houden. Hun rupsen vreten wilgenblad, en als dat op is lusten ze ook wel populier en zelfs het blad van prunussen – ze zouden wellicht mee kunnen helpen om Amerikaanse vogelkersen onder de duim te houden!

Op de site van de Vlinderstichting lees ik dat hun paring anderhalf tot twee uur duurt. Dat is beslist geen vluggertje. Een vrouwtje zet een grote hoeveelheid eitjes tegelijk af, rondom een twijgje. De rupsjes die daaruit kruipen blijven eerst bij elkaar in een gesponnen nest, maar verbreden na hun laatste vervelling hun horizon. Als ze volgevreten zijn, kruipen ze naar de grond, om een holte te vinden waar ze zich kunnen verpoppen. Dan zijn ze langer dan vijf centimeter, en uitgedost met zwarte stekels

Rouwmantels overwinteren als vlinder in een grot of holle boom, of in een verlaten schuur, blok- of jachthut. Takkenbossen voldoen ook als winterverblijf.

(Natuurdagboek Trouw, maandag 4 mei ’26)

 

DELEN

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *