IJzel op de permafrost

Als ik in Amsterdam ben, en een randstedeling vraagt naar mijn herkomst, reageert men alsof ik een expeditie vanaf de Arctische toendra achter de rug moet hebben. Ik zeg dan dat ik noodrantsoenen meedraag en de ontberingen op de permafrost het hoofd bied.
Meestal tovert dat een glimlachje op het randstedelijke gelaat; men weet ergens wel dat de Noordpool niet vlak buiten de Amsterdamse ringweg begint. De laatste weken echter was de bodem onder onze voeten in ’s lands noordelijke gebiedsdelen permanent bevroren. Als bonus kwam er een laag helder ijs van een halve centimeter over alles te liggen. Vanuit iets warmere wolken was regen gevallen op de vrieskoude grond.
Het leeghalen van de brievenbus was een heikele onderneming en met het uitlaten van de hond tartte ik het noodlot. Zelfs de hond glibberde hier en daar op haar vier poten over het ijs. Ik overwoog het aantrekken van mijn schaatsen, maar dan zul je zien dat er één fataal ijsvrij steentje ligt.
Ik glibberde dus op bergschoenen voort. Ondanks de profielzolen stortte ik tweemaal ter aarde. Dat vallen ging zo snel, dat ik het pas besefte toen ik lag. De eerste keer viel ik ruggelings op een stoeprand. Het had de potentie van een dwarslaesie maar ik hield er nog geen blauwe plek aan over.
De tweede val geschiedde op een reliëfrijk wandelpaadje. Ik viel zijwaarts op heup en hand. Weer ontbrak ieder blauwe bewijs van mijn teraardebestelling. Ik prijs me gelukkig met een rubberen gestel. Beide keren voelde ik me, op de grond spartelend, een paljas.
De koude januarimaand is geen teken dat het met klimaatverandering wel meevalt. Zelf dacht ik, en noteerde ik in een natuurdagboek, dat dit jaren geleden een elfstedenwinter zou zijn geweest. Maar het ligt anders: de kou wordt door een stabiel hogedrukgebied boven de Noordpool zuidwaarts gestuwd, en dankzij klimaatverandering komen zulke hogedrukgebieden daar ’s winters vaker voor.
Afgelopen weekend zat de Randstad in korte hemdsmouwen op het terras, maar bleef het in het noorden rond het vriespunt, terwijl een dichte mist de mensen dagenlang tot de huid deed verkillen en het zich belemmerde.
Nu lijkt de winter wijkende, al lag er dinsdag weer een witte laag: geen ijzel maar rijp.
(Natuurdagboek Trouw, donderdag 12 februari ’26)