Grote en kleine grazers

Grote en kleine grazers

Grazers. Foto Koos Dijksterhuis
Grazers. Foto Koos Dijksterhuis

Je kunt haast geen natuurgebied in, of je komt grote grazers tegen. Schapen, geiten, runderen en paarden zijn het gezicht van de moderne natuur. In de jaren zeventig kwamen sommige natuurvorsers op het idee dat de Europese oernatuur niet uit bos had bestaan, maar uit weidse velden met eilanden van bos en struweel, en bossen met open plekken en zandkuilen.

De open plekken en grazige weiden zouden door grote grazers in stand gehouden zijn: elanden en herten, maar ook oerossen, wisenten en tarpans: wilde paarden. Dat wilden terreinbeheerders nabootsen. Het Groninger Landschap was in 1982 de eerste die grote grazers introduceerde: konikpaarden. Het Midwolderbos viel in de prijzen en dat riep weerstand op onder de leden en andere natuurbeschermers, die vreesden dat het landgoed vertrapt en kaal gegeten zou worden.

Dat is niet gebeurd, omdat het Groninger Landschap de kudde niet ongebreideld liet doorgroeien. Het aantal paarden ging er de draagkracht van het terrein niet te boven, zoals in de Oostvaardersplassen. Daar bestaat het wilde leven vooral uit doodgaan van de honger en wordt de vegetatie elk jaar vrijwel op gegraasd. Het is een essentieel verschil in visie op natuurbeheer: grazers als middel of grazers als doel.

Behalve koniks, exmoorpony’s, herten, schapen en geiten worden in de natuur vooral runderen gehouden: hooglanders, heckrunderen, wisenten, waterbuffels, galloways, sayaguesa’s, lakenvelders, heidekoeien, blaarkoppen en herefords (foto).

Over kleine grazers hoor je terreinbeheerders weinig. Met woelratten, veldmuizen en rupsen lok je geen publiek. Gevleugelde grazers worden zelfs bestreden: grauwe ganzen (foto) en brandganzen bijvoorbeeld. Ganzen zijn de koeien onder de vogels. Brandganzen zijn nog zwart met wit ook. Ganzen zijn gek op het snelgroeiende, eiwitrijke raaigras waarmee het halve land bedekt is en waarmee ook de ruim drieënhalf miljoen koeien en kalveren tellende veestapel gevoed wordt.

Nooit hoor ik iemand over ’s lands talrijkste vogel: de kip. Onze eigen kippen hadden hun deel van de tuin in no time in een zandkuil veranderd. Laat de honderd miljoen leg- en plofkippen een dagje vrij en je hebt geen grote grazer meer nodig.

(Natuurdagboek Trouw, donderdag 30 april ‘26)

 

DELEN

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *