Geelgerand en bijterig

Geelgerand en bijterig

Geelgerande waterkever Foto Jeanette Essink
Geelgerande waterkever. Foto Jeanette Essink

Toen ik tien was, fietste ik op Schiermonnikoog met een vakantievriendje naar de Kooiplas, waar we doorheen waadden. Onze laarzen liepen vol. We zeiden daar thuis niets over, en na een paar dagen waren ze wel weer opgedroogd.

We zwaaiden met een netje door het water. We visten waterplanten op, maar ook waterkevers van uiteenlopende vorm, grootte en snelheid. Stekelbaarsjes, zoals we die in de ijsbaan vingen, waren hier niet.

Ineens gilde mijn vriendje. Hij had iets beet wat hem beet. We keken voorzichtig – het was een vijf centimeter lang, wormachtig dier. Het zat onder de modder. We visten de meeste planten en drab eruit en namen de halfvolle emmer mee naar huis, met drie waterkevers en de bijtende worm.

Halverwege liepen we het veldstation van de Vrije Universiteit in. Nu zit daar het vogelringstation, maar toen brachten biologiestudenten er een deel van de zomer door voor allerlei onderzoeken.

Wij klampten de eerste die we zagen aan: een langharige man met een ziekenfondsbrilletje. Vriendje viste de bijtende worm dapper uit de emmer en hield hem tussen duim en wijsvinger voor de langharige student. ‘Weet u wat dit voor dier is?’ vroeg ik. ‘Een garnaal’, zei hij.

Zelden is een academicus voor mij zo door de mand gevallen. Ik schudde mijn hoofd, en zei tegen mijn vriendje: ‘laat maar’. Het beestje was even groot als een garnaal, maar leek er verder niet op. Bovendien leefde het in zoet water.

Thuis vulden we een tweede emmer met kraanwater, en hevelden we de drie waterkevers en de worm over. De kevers zwommen rondjes of schoten zigzaggend door het water. De worm nam positie in het midden, waar hij of zij met hol gekromde rug bleef hangen. Nu pas zagen we twee gekromde haken op zijn kop. Hij zag er griezelig uit.

We gingen iets anders doen en toen we na een tijdje weer keken, waren de drie kevers weg. Er lagen wat schildjes op de bodem. De worm hing er nog net zo bij.

We hebben hem in een poldersloot losgelaten. Later kwam ik erachter dat het een larve was van een geelgerande waterkever.

Op mijn vijftiende vond ik twee van die kevers in een plas regenwater op een zandpad bij Barneveld. Later heb ik ze veel vaker gezien, tot in een zwembad aan toe.

(Natuurdagboek Trouw, dinsdag 14 april ’26)

 

DELEN

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *