De laatste matkop

Laatst hoorde ik het ‘tsi-tsi-pè-pè’ van een matkop. Het klonk vanuit een moerasbos met jonge, oudere en dode elzen, berken en wilgen. Een typisch matkoppenbos. Een matkop is een mezensoort.
Toen ik puber was, trok ik op zaterdag met de natuurclub de natuur in. Als we bij een moarasbos, een bos bij water of een sloot met wat bomen kwamen, hoorden en zagen we meestal wel een matkop.
Hoe anders is dat tegenwoordig. Sinds vijftien jaar is de soort in aantal gehalveerd, lees ik in een artikel van Ruud van Beusekom in Vogels, het blad van Vogelbescherming. Voor die laatste vijftien jaar was de soort al lang aan het inboeten. Vergeleken bij mij jonge jaren zijn er nauwelijks nog matkoppen over. Van Beusekom heeft dezelfde ervaring en krijgt daar, schrijft hij, matkoppijn van.
Matkoppen zijn een vrij noordelijke soort en de achteruitgang gaat in Zuid-Nederland sneller dan in Noord-. Maar alleen klimaatverandering verklaart de teloorgang niet. Die heeft meer oorzaken.
Matkoppen zijn de enige mezen die hun eigen hol uithakken. Dat doen ze in het zachte hout van de jonge opslag van bovengenoemde bomen en van hakhout. In jonge moerasbosjes broeden geen of minder kool- of pimpelmezen, wat scheelt in de concurrentie om voedsel en woonruimte. Van de op zich lovenswaardige neiging van terreinbeheerders hun bossen ouder te laten worden, profiteren matkoppen minder dan andere mezen.
Helaas wordt opslag van wilgen en berken vaak met grof geschut weggeschraapt, vaak onder het mom van ‘landschapsherstel’ of zelfs ‘bosherstel’. Het open land is in de mode en het zou kunnen dat matkoppen daaronder lijden.
Andere bosmezen, zoals glanskop en zwarte mees, doen het ook niet zo best. Maar koolmees en pimpelmees floreren. Die worden verwend met een ecologische hoofdstructuur aan nestkasten, pindaslingers en vetbollen. Ze overleven de winter en verspreiden zich over de bossen. Zouden ze matkoppen uit hun holen jagen?
Nat bos, zacht en rot hout – Van Beusekom pleit voor bomen van alle leeftijden, om de matkop te behouden. Ik sluit me bij hem aan. Hopelijk vindt die ene matkop die ik hoorde een partner.
(Natuurdagboek Trouw, maandag 13 april ’26)