Een topper met drie kuifeenden

Met naar schatting een kleine twintigduizend broedparen zijn kuifeenden een van onze talrijkste eenden. In de winter zijn dat er nog vijf, zes keer zoveel. Dan dobberen ze in grote groepen op plassen en meren, zoals het IJsselmeer. Ze duiken driehoeksmosselen op van de bodem.
Dat opduiken doen ze ’s nachts, omdat ze dan niet, buiten adem boven gekomen, door meeuwen van hun schatten beroofd worden. Op meters diepte in het troebele water moeten ze toch op de tast werken. En in Nederland is het meeste water troebel. Hoewel juist die driehoeksmosselen het water filteren en helder maken.
Ach, ik zie ze ook vaak overdag duiken. Slechts weinig watervogels zijn zulke onrustige duikers als zij. Futen en aalscholvers, tafeleenden en brilduikers ja, en toppereenden.
Toppereenden lijken sterk op kuifeenden. Het kuifje van een kuifeend is vaak niet te zien, omdat het als met gel achterover gekamd lijkt. Beide eenden zijn zwart met witte flanken, gele oogjes en een staalblauwe snavel. De vrouwtjes zijn bruin.
Maar er is één duidelijk verschil: toppereenden hebben een lichte rug. Dat geldt voor beide seksen, maar is bij de woerden is het duidelijkst. De toppervrouw heeft bovendien een witte ring rond het begin van haar snavel.
Toppereenden zitten vaker op zee dan kuifeenden. De grootste aantallen overwinteren op het IJsselmeer en in het aangrenzende deel van de Waddenzee. Net als kuifeenden maken ze zich nu op voor het broedseizoen. Bijna alle toppers vliegen in maart naar het noorden en oosten, evenals de meerderheid der kuifeenden; de hier broedende kuifeenden verspreiden zich over de plassen, meren, parkvijvers en sloten. Bijna overal in het land zijn ze te vinden. Toppers juist haast nergens.
Tot mijn verrassing zag ik op een klein meer bij Groningen twee paartjes kuifeenden zwemmen, waarvan één mannetje een toppereend was. Ik ben vaker wezen kijken, maar het bleef bij één waarneming. Gelukkig heb ik de foto nog.
(Natuurdagboek Trouw, vrijdag 13 maart ’26)