Broedende brandjes

Ik zag een koppel brandganzen met drie jongen. In mijn jeugd was dat uitgesloten. Toen trokken de brandganzen uiterlijk de derde week van mei weg naar hun broedgebied op Spitsbergen. Ik weet nog dat ik voor het eerst in de zomer brandganzen in Nederland zag, dertig jaar geleden. Dat was in Friesland, bij het Sneekermeer.
Ze broeden in toenemende mate in Nederland. Volgens Sovon zijn er al zowat twintig duizend paar! Dat is weinig vergeleken met de anderhalf miljoen overwinteraars en doortrekkers, maar het zijn nochtans veertigduizend ganzen, hun pulletjes niet meegeteld.
Veehouders die hun weidevogels zien verdwijnen, hebben er een nieuwe zondebok bij! Want brandganzen stiefelen rustig over de eieren van kieviten heen. Flats. Er wordt gepleit voor afschot. Het overzomeren van brandganzen begon waarschijnlijk juist met aangeschoten vogels, die gezond waren maar niet goed meer konden vliegen. Die bleven dus en plantten zich voort. Ook die zomerse brandjes die ik twintig jaar geleden zag waren vleugellamme stumperds. Opmerkelijk genoeg zijn lieden die ganzen willen doodschieten vrijwel altijd ook voor het doodschieten van vossen, die nou juist ganzen te grazen nemen. Doodschieten en logica gaan zelden samen.
Brandganzen zijn kleiner dan grauwe ganzen, die ook nog maar sinds de jaren ’80 in Nederland broeden, zich overal wisten te vestigen en nu als plaag bestreden worden. Nederland ligt voor de helft onder een deken met niets dan Engels raaigras, een eiwitrijke hap voor zowel koeien als ganzen. We telen ganzenvoer op de helft van ons land en klagen vervolgens als er ganzen komen.
Net als koeien zijn brandganzen zwart-wit. Ze grazen het liefst jonge grassprietjes en kunnen daar heel wat van op. Jaarlijks keert de overheid 55 miljoen euro uit als compensatie van ganzengegraas. Brandganzen met grote gezinnen krijgen veel aanzien onder soortgenoten. Ze adopteren daarom graag andermans kuikens. Die scharrelen toch zelf hun kostje op; de ouders hoeven alleen maar kraaien en vossen weg te jagen. De pulletjes willen zich ook best bij een groot gezin aansluiten; dan krijgen ze de beste graasgronden.
(Natuurdagboek Trouw, maandag 19 mei ’25)