Boorgaten aan zee

Boorgaten aan zee

Boormosselgaten in veen. Foto Koos Dijksterhuis
Boormosselgaten in veen. Foto Koos Dijksterhuis

Op het strand van Schiermonnikoog vind ik een stuk vermolmd hout en een klont veen, beide doorboord met een dichtheid aan gaten waar geen Emmentaler aan kan tippen. Het zijn boorgaten van boormossels.

Boormossels zijn tweekleppige schelpdieren. Waar de meeste tweekleppigen twee schelpen maken, die ze potdicht kunnen sluiten, kunnen de beschermende schelpen van boormossels niet helemaal dicht. Hun schelpen zijn bovendien breekbaar. Daarom boren boormossels gaten in zacht hout of veenklonten op de zeebodem. Daarin leven ze veilig, voedsel naar binnen slobberend.

De gaten zijn geboord door witte of Amerikaanse boormossels. Meestal zijn Amerikaanse in de meerderheid. Dat was ooit anders. Tot rond 1900 leefden er geen Amerikaanse boormossels in de Noordzee. Ze zijn onbedoeld naar Europa gehaald met vrachten oesters. Ene mejuffrouw H. Icke meldde in 1905 voor het eerst een vondst in Nederland. Drie kilometer ten noorden van Noordwijk had ze op het strand een doublet gevonden, een exemplaar met beide kleppen nog intact, en daarom veronderstelde Icke dat het schelpdier in de buurt had geleefd. Al in 1906 werd de soort levend bij Vlieland ontdekt.

In het blad De Strandvlo schreef Dirk Wouters in 1993 over de expansieve geschiedenis van de Amerikaanse boormossel. De vondst van Icke bleek toch niet de eerste te zijn. In het Natuurmuseum te Leiden, het latere Naturalis, lagen exemplaren die net iets eerder gevonden waren, in Domburg en Scheveningen, en wel door jonkheer Willem Cornelis van Heurn.

De Amerikanen aardden uitstekend, voor zover je in zee kunt aarden. Tegenwoordig liggen ze overal op het strand. Witte boormossels zijn minder talrijk, maar evenmin zeldzaam. Er zijn grote populaties bij de Waddeneilanden en in Zeeland. Ze zijn doorgaans witter dan hun Amerikaanse neven, en worden nooit als doublet gevonden. Dat komt doordat hun beide schelpen niet met een slotband aan elkaar zitten. Een levende witte boormossel houdt zijn kleppen zelf bij elkaar, met zijn sluitspieren en met een extra schelpje dat zich als een kapje over de top van beide kleppen plooit. Dat accessoire zou je zijn derde klep kunnen noemen. Als het schelpdier sterft, laten de kleppen los.

(Natuurdagboek Trouw, donderdag 13 november ’25)

 

DELEN

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *