200 paardenbloemen

Zondag is het de dag van de paardenbloem. Een jaar of wat geleden heeft Karst Meijer van het Friese Herbarium te Wolvega deze dag in het leven geroepen ter ere van de meest onderschatte en soortenrijkste bloemenfamilie van Nederland.
Die soortenrijkdom komt door de vele microsoorten, Meijer onderscheidt in Nederland zo’n tweehonderd verschillende. Die zouden misschien onderling kunnen kruisen, maar doen het niet. Ze planten zich ongeslachtelijk voort. De meest verwante worden bij elkaar gerangschikt in zogenoemde secties. Er zijn tien hoofdsecties. En die verschillen vaak sterk van uiterlijk.
Althans, wie moeite heeft een paardenbloem van een leeuwentand of een klein hoefblad te onderscheiden, zal tussen de secties geen verschil zien. Maar wie beter kijkt, zal zien dat de vorm van alleen al de bladeren sterk kan verschillen. En dan heeft de ene vlekken, de andere niet, en is er aan de bloem ook van alles te zien.
De sectie Taraxacum, weidepaardenbloemen, is de grootste en bevat de algemeenste soorten. Die hebben ‘afhangende omwindsels’, zegt Meijer. De sectie Palustria, moeraspaardenbloemen, is de kleinste en bevat de zeldzaamste soorten, met ‘aangesloten omwindsels’.
Meijer heeft met een paar andere kenners oude groeiplaatsen van zeldzame microsoorten bezocht en ontdekte dat de meeste soorten van honderd jaar geleden nu verdwenen zijn. Alleen de algemene soorten redden het in ons platgetreden, begraasde, ontwaterde, overbemeste en vergiftigde land.
Toen ik dertig jaar geleden over natuur begon te schrijven, was een geel bespikkeld weiland vol paardenbloemen een extreem voorbeeld van intensieve veehouderij. Intussen zijn er nog wel weilanden vol paardenbloemen, maar veel minder dan toen. Je vraagt je af waar het schip strandt; er komt een moment dat we niet nóg meer gras uit de bodem kunnen persen.
Het is een zorgwekkende trend, want met hun miljoenen leverden paardenbloemen nectar en stuifmeel aan een massa vliegen, bijen en vlinders. Daarbij zijn de bladeren en wortels nog eetbaar voor mensen ook.
Enfin, zondag wordt er in het Fries Herbarium een open dag gehouden, en die kan ik warm aanbevelen. Dit jaar kan ik er niet naartoe, want ik zit in Verweggistan.
(Natuurdagboek Trouw, vrijdag 24 april ’26)