(Wat) een teken

Vroeger waren de bossen gevaarlijk, omdat er rovers, wolven en geesten huisden. Nu zijn die er niet meer. Nu zijn er teken. Ik heb tientallen teken mijn bloed gedoneerd, maar ziek ben ik er nooit van geworden. Pure mazzel, dunkt me.
Afgelopen zomer was ik met mijn gezin op het Zweedse eiland Öland. Mijn reisgenoten neigden meer tot uitslapen dan ik en de Zweedse zon scheen om vier ’s morgens al. De zingende vogels lokten mij naar buiten, waar ik dagelijks een vroege ochtendwandeling maakte.
Die morgen liep ik via een enorme boog terug richting ontbijt. Mijn voettocht voerde me door een rotsig gebied vol wilde tijm en andere bloemen. Daarop zoemden honingbijen en fladderden parelmoervlinders. Klauwieren en tapuiten gebruikten oeroude grafstenen als uitkijkpost.
Het open, heide-achtige landschap raakte allengs begroeider, tot het bijna bos was. In een boom lieten drie appelvinken zich prachtig beschijnen door de morgenzon. Die verwarmde mijn benen onder mijn korte broek.
Het pad versmalde tot een overgroeid spoortje. Het kruiste een vervallen stenen muurtje en splitste zich in tweeën. Het ene spoor verdween onder omgevallen bomen en doornstruiken, het andere wees richting ontbijt. Helaas verdronk dat in een allengs natter moerasbos waar ik werd bestormd door de hongerige horden van honderden muggen.
Ik probeerde de andere richting en klom over steeds dikkere omgevallen bomen. Na vijf bomen zag ik vijf andere bomen voor me liggen. En zo voorts… Het point of no return lag achter me, vond ik, en ik ploeterde door. Ik dacht ineens aan de gevaren van het moderne bos, keek naar mijn bovenbenen en zag drie teken een plekje zoeken. Ik schoot ze weg, bedwong vele woudreuzen en wrong me dwars door een braamstruik een helling op.
Uiteindelijk kwam ik op een akkertje en vervolgens op een pad. Ik vond een omweg terug. Na een douche inspecteerde mijn geliefde de plekken waar ik niet bij kon. Drie teken.
(Natuurdagboek Trouw woensdag 15 feb. 2017)