Zwart geaderd witje

Prijkte laatst het klein geaderd witje op deze ereplaats in de krant, vandaag wordt u zijn grote broer gepresenteerd: het groot geaderd witje. Tot de jaren ’70 kwam deze soort in Zuidoost-Nederland en Vlaanderen voor, maar behoudens een sporadische dwaalgast is dat verleden tijd. Des te meer komt hij voor in de Cantabrische bergen in Noord-Spanje, waar mijn geliefde en ik op vakantie waren. Er fladderen daar veel meer vlinders rond dan bij ons en grote geaderde witjes zijn er algemeen. Ik vind ze verrassend mooi. Ze hebben geen witte vleugels met zwarte zomen en stippen, zoals onze koolwitjes. Hun witte vleugels zijn met zwarte lijntjes doorregen. En of je die vleugels nou van boven of van onderen ziet, die ragfijne lijntjes tekenen zich scherp af.
Het aantal grote geaderde witjes schijnt nogal te fluctueren, maar wij zien ze bijna dagelijks. Ze fladderen rond en strijken neer op een breed assortiment aan wilde bloemen, die de onbemeste bermen en bosranden op de kalkrijke bergbodem kleur geven. Maar hun eitjes zetten de witjes af op sleedoorn en andere prunussen en op meidoorn en andere roosachtigen. Ook op appel- en perenbomen waarmee ze onvermijdelijk de gifspuit over zich afroepen. Wij komen veel meidoorns tegen; in de dalen uitgebloeid, maar op de bergen nog wit bloeiend.
We vinden ook een geel behaarde rups van een groot geaderd witje. Net als de vlinder is de rups er één van formaat. Hij kruipt over een boven het pad hangende grasspriet – een doodlopende weg, maar het is onbekend of de rups daar net zo over denkt. Die rupsen vreten zich vol en trekken zich voor de winter met elkaar terug in gezellige spinsels. Daar wachten ze samen op de lente, en dan verpoppen ze zich hangend aan een tak. Waarna ze om ons wandelaars heen vlinderen en ons blij maken met hun sprookjesachtige verschijning.
(Natuurdagboek Trouw vrijdag 16 juni 2017)