Onheilspellend maar graag gezien

Reigers, ze zijn prachtig, ze zijn angstaanjagend. Ooit woonde ik in een groene buurt met veel water en daar hoorde ik de bewoners vaak juichen dat ze uit hun raam een reiger hadden gezien. Reigers zijn groot en wild, net als reeën zijn ze niet alledaags maar toch gewoon genoeg om regelmatig te zien te krijgen. Het zijn ideale ambassadeurs van de natuur.
Maar hun duistere zijde wordt minder gewaardeerd. Ik zag er eens een reiger met een jong waterhoen aan de haal gaan. Gillend verdween het hoentje de lucht in, bungelend aan de reigersnavel, zijn ouders ontredderd achterlatend. Er verdwijnen heel wat jonge eendjes in reigerkelen. Toch staat dat hun populariteit nauwelijks in de weg. In die zin lijken ze op katten. Katten doden elk jaar ook heel wat baby-eendjes, wat hun populariteit niet in de weg staat.
Reigers zijn graag geziene kostgangers en ze maken daar gebruik van door tot in winkelcentra bij snackbarren op fastfood te gaan vissen. In steden wijden sommige lieden (doorgaans oudere, alleenwonende dames) zich liefdevol aan het voeren van stadsreigers. Dat is mooi vastgelegd in de film Schoffies van Marc van Fucht.
Tegenwoordig zijn reigers veel algemener dan vroeger. Ze worden niet meer bejaagd, er zijn nestbomen bijgekomen, er is moeras bijgekomen, het water is schoner geworden, de winters zijn zachter. Er zijn zelfs witte reigers bijgekomen: kleine en vooral grote zilverreigers. Maar blauwe zijn er het meest. Er zijn zo’n elfduizend broedparen in Nederland, drie keer zoveel als vijftig jaar geleden.
Ik zie ze op ieder ommetje, ik zie ze uit de trein en uit de auto – laatst ook een doodgereden reiger in de berm, een akelig gezicht -, ik zie ze door het raam in de stadsvijver, ik zie ze in bomen rusten, door vijvers waden, langs oevers sluipen, over akkers stappen, boven de stad vliegen, ik hoor hun onheilspellende kreten in de nacht.
(Natuurdagboek Trouw donderdag 8 november ’18)