Het tedere voorspel van de woeste aalscholver

De eerste aalscholvers ruien naar hun fraaie zomerkleed. Aalscholvers zijn zwart met groene glans. Hun snavel en keel zijn lichtgeel, daartussen blozen donkergele wangetjes. In januari beginnen sommige mannetjes te ruien. Dan krijgen ze een witte kop, al dan niet dooraderd met toefjes grijs, en twee witte dijen. Op hun achterhoofd prijkt een borstelige hanenkam. Punkers zijn het. Sommige mannetjes trekken pas later hun broedkleed aan. Van januari tot juni zijn ze bezig met eieren en jongen. Maar eerst met een partner.
Terwijl de volwassen mannen zich tonen aan de vrouwen, zitten de jongemannen in de wachtkamer. Zij zijn bruin met een witte buik. De wachtkamer van de jonge aalscholver op de foto is een kille. Het broedseizoen mag dan begonnen zijn, er ligt nog ijs. Voor aalscholvers is ijs niet eens zozeer problematisch omdat het koud is, maar vooral omdat het de visvangst belemmert. Aalscholvers, oud en jong, eten vis. Ze lusten vele, zo niet alle soorten vis, maar vangen de talrijkste. Soms zijn dat stekelbaarsjes, soms snoekbaarzen, maar op het IJsselmeer zijn het meestal possen. Dat is zo’n beetje de enige soort die daar niet door mensen wordt gevangen, en is er daarom talrijk.
Voor zulke woest uitziende vogels doen aalscholvers aan een verrassend teder voorspel. Naast elkaar zittend op een tak, of op het nest, gooien ze als ooievaars hun koppen in de nek en maken ze gorgelende geluiden. Dan strelen ze elkaar eens lekker met hun halzen. Met wat geluk resulteert de vrijage in (doorgaans drie) bevruchte eieren. Waaruit drie jongen kruipen: lekkerbekjes die samen een paar ons vis per dag verslinden.
Een volgroeide aalscholver meet zo’n negentig centimeter van snavel tot staart, in gestrekte vorm. Vaak zitten ze op een tak, paal of bord, of op de grond uit te rusten en op te drogen. Ze leunen daarbij indien mogelijk graag op hun staart. En vaak spreiden ze hun vleugels, om die te drogen. Ze missen namelijk de waterafstotende was waarmee andere watervogels zichzelf vanuit een wasklier inwrijven. Eén zo’n vleugel kan, gestrekt, wel zeventig centimeter lang zijn.
(Natuurdagboek Trouw, donderdag 22 januari ’26)