Halmvliegje

Fritvliegen worden ze wel genoemd, of grasvliegen, en halmvliegen natuurlijk; dat is algemeen bekend. Ze kunnen in groten getale voorkomen en er zijn tweeduizend soorten van op de wereld. Ze leggen eitjes op grashalmen, vandaar hun twee laatste namen. Of zijn de beestjes genoemd naar mijn voorganger Henk van Halm, liefhebber van al wat leeft maar in het bijzonder van het kleine gespuis? En zou fritvlieg een verschrijving zijn van fruitvlieg?
Halmvliegenmaden zijn piepklein en doorschijnend en kunnen grassen en granen opeten, zodat ze nogal eens met vergif worden bestreden. Dat vergif doodt ook de insecten die halmvliegen eten, zodat je bezig blijft met de flitspuit. De maden eten ook luizen, bijvoorbeeld bietenluizen, dus als je ze doodspuit, heb je kans op een luizenplaag.
Klein en onbeduidend als ze zijn, met een lengte van hooguit drie millimeter, worden halmvliegen doorgaans over het hoofd gezien, ook door natuurliefhebbers en zelfs door insectenkenners. Maar niet door Jeanette Essink, en ze heeft gelijk, zoals iedereen na het zien van haar foto zal beamen. Wat een kleuren! En doordat ze niet behaard zijn, zoals andere vliegen, zijn ze diep glanzend. Klein maar fijn! Nou betreft dat één van de zes soorten uit de geel-zwarte Thaumatomyia-familie. De meeste halmvliegen zijn zwart, grijs, bruin of hooguit een beetje groenig.
De gele halmvlieg op de foto zit niet op gras maar op klimop. Klimop is een onmisbare voedingsbron voor heel veel insecten en voor allerlei vogels: merels, zanglijsters, spreeuwen, duiven eten de bessen. Er nestelen vogels in, er parasiteren bremrapen op, de planten zorgen voor groen in winterkale bossen. En bomen kunnen een klimopplant gemakkelijk dragen. Wie van natuur houdt, moet klimop koesteren! Klimop houdt er tegendraadse bloei- en vruchttijden op na. Het vormt bessen in maart en bloemen in september. Waar de halmvliegen op afkomen.
(Natuurdagboek Trouw maandag 17 september ’18)