Flevoland mooi

‘De natuur van Flevoland? Kon je geen andere provincie kiezen?’ Een vriend van me bespotte het uitzicht van de A-6: saai, lelijk! Ik begon als een evangelist de natuur van Flevoland te prijzen. Ik kon het weten, de hele lente struinde ik voor een boek door Flevoland. De wegen zijn er recht, de akkers groot, de boerderijen industrieel, de bedrijventerreinen troosteloos. Allemaal waar. Een schilderachtig boerenlandschap is er nauwelijks. Flevoland is ingericht tijdens de hoogtijdagen van de ruilverkaveling. Er hoefde niets herverkaveld te worden, het land kon op de tekentafel verdeeld worden in grote rechthoeken: de toekomstige percelen. De geplande bossen bestonden meestal uit een aantal van zulke percelen: recht en hoekig. Romantisch klinkt dat allemaal niet. …
Roepende uilen

Even een terugblik naar de herfstvakantie, eind oktober. Mijn dochter gaat uit logeren. Ik breng haar en sta op straat nog even te praten. Van achter de huizen aan de overkant klinkt het mij zo vertrouwde gefluit van een bosuil. Een prachtig, mysterieus geluid dat ik in het bos waar ik als tiener bijna dagelijks kwam, vaak hoorde. ‘Hoor, een bosuil’, zeg ik en steek mijn wijsvinger in de lucht. Ik zie het mezelf doen, die vinger en denk: er is een schoolmeester aan me verloren gegaan. Die bosuil roept maar door, het zijn er twee, wat zijn ze vroeg in het jaar bezig, wat zijn ze fanatiek, zouden ze geen partner kunnen vinden? Er ligt een oud landgoedje achter de overburen. Daar leven bosuilen. …
Aan de vetbol!

Broodkorstjes, op de keukenvloer gevallen en opgeveegde rijst, klokhuizen en een rotte peer. Daarboven een vetbol en daarnaast een regelmatig ontdooid bakje water (nooit zout erin) en zie: de tuin leeft van de mezen, vinken, mussen, roodborstjes, merels en eksters. Ook een koperwiek kwam al langs. Voor de vogels is het een ramp, vorst en wind, maar vogelliefhebbers halen hun hart op. Jeanette Essink kocht twintig kilo strooivoer en 25 kilo zonnepitten. Ze vult er glazen buizen mee, die van de bio-industrie afgekeken minigraansilo’s. …
Pestvogels

Het land is bezocht door pestvogels. Ik loop en fiets met gespitste oren rond, in de hoop op het rinkelende geneuzel van die prachtige vogels. Ze komen uit de noordelijke taiga en ontmoeten daar geen mensen. Bang zijn ze dus niet. Op internet zag ik foto’s van mensen met pestvogels op de hand. Toch zitten de vogels vaak hoog in bomen. Daar eten ze bessen en zaden. Ze lusten maretakbessen en verspreiden die grappige plant vanuit leemhoudende streken over de Hollandse klei. …
Vroege katjes

Hazelaars staan te boek als naaktbloeiers. Dat wil zeggen dat ze eerst hun bloemen laten bloeien en pas later bladeren vormen. Forsythia doet dat ook, wintersneeuwbal, els. Handig voor de bestuiving, dat er geen blad in de weg zit. Hazelaars horen in januari te bloeien. Maar ze bloeien nu al, in de sneeuw, terwijl ze hun wilde bladeren nog niet eens hebben afgeschud. Bloeien is een groot woord voor die grijsgroene slurfjes, de mannelijke katjes. De rode, vrouwelijke minibloempjes houden zich nog koest, hoewel er al een rossig puntje doorschemert. …
Behoedzame stapper

Zon schittert op de sneeuw. We zetten verplichtingen, boodschappen en werkzaamheden (dit stukje schrijf ik na afloop wel) opzij voor een wandeling. In het park zitten aalscholvers op lantaarnpalen, als duistere wachters. Drie waterhoentjes scharrelen door de sneeuw. Waterhoentjes stappen zo behoedzaam rond, alsof ze tussen kostbaar porselein laveren. Ze kunnen ook niet weten wat er onder de sneeuw ligt. Maar ze stappen even behoedzaam zonder sneeuw. …
De wonderlijke kaalheid van bomen

Loofbomen laten hun blad vallen om niet uit te drogen. Dat is de meest gebruikelijke verklaring. De zuigkracht van de wortels vermindert als het koud wordt, de bladeren blijven onbekommerd zweten – tientallen liters per dag. Bladeren zijn er om zonlicht te vangen en zonlicht is er ’s winters weinig. Dus kunnen bomen beter hun blad laten vallen, nadat ze het bladgroen eruit hebben gehaald. …
De schelpen van professor Lever

“Als ik naar schelpen kijk, word ik zo religieus als wat”, zei Jan Lever tegen interviewer Willem Bouwman in het Nederlands Dagblad van 17 maart 2006. Toch had de bioloog het creationisme al lang de rug toegekeerd. Dat begon in de jaren ’30 op de H.B.S. Lever groeide op in Delfzijl waar geen christelijke school was. Bij de openbaren ontdekte hij dat er meer was dan het scheppingsverhaal, dat je de variatie aan levensvormen beter kon verklaren als je de Bijbel erbuiten liet. Hij was één van de eerste christelijke wetenschappers die evolutie niet op voorhand afwees als duivelse bedreiging van het geloof. …
Wintervlinders

Natuurtalent Jeanette Essink meldde vanuit haar tuin (een kleinschalig en afwisselend natuurgebied) nachtvlinders: bosbesuil, wachtervlinder, gepluimde spanner, zwarte herfstspinner en wintervlinder, kleine zowel als grote. Ik vermoed dat haar ramen ’s avonds vol nachtvlinders zitten. Want het mogen dan nachtdieren zijn, op licht komen ze altijd af. Dat zou te maken hebben met hun oriëntatie op maan en sterren. Maar hoe nachtvlinders dat licht ervaren? Het moet onweerstaanbaar zijn. …
