ndb 2010 – 2014

ndb van 2010 tm. 2014

Cyclamen

Cyclamen

Uit tropische wouden herinner ik me de vele kamerplanten die daar groeiden in een formaat waarvoor je de etagevloeren uit je huis zou moeten slopen.

Cotoneasters en zo, in reuzenvorm. Het is even wennen, huis-tuin-en-keukengroen in het wild tegenkomen. Helemaal onverwacht waren de cyclamen die afgelopen weken op Corsica stonden te bloeien. Ik dacht eerst: zeker door een grapjas geplant of gezaaid, of overgewaaid uit het stadje. Cyclamen horen echt in de kamer, hoewel ik ze niet in mijn kamer hoef, ze zijn me te kamerig. Dus was ik echt verbaasd ze zo veel in de Corsicaanse bergen te zien bloeien. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Aangeslagen

Aangeslagen

Ruisvoorn aan de haak

Een vriend vertelde dat zijn zoon van negen wilde vissen. Zelf viste hij nooit, zijn vader wel. Zijn vader leefde niet meer. Al vergeten zoontjes veel, dat waarvan je wilt dat ze het vergeten, vergeten ze niet. Het gezeur om een hengel werd een refrein. Goed dan. Het was wel naar voor de vis, maar die zouden ze teruggooien. En vissen is ook een manier om van de natuur te leren houden. Liever met een hengel naar buiten dan achter de computer of voor de televisie hangen. We zitten voor de buis, maar achter de computer, misschien omdat we ons op de computer actiever voelen. Zo zitten we ook achter het stuur. Een visser zit naast zijn hengel. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Dode schoonheid

Dode schoonheid

© foto: Koos Dijksterhuis, een dode Oehoe in Spanje

In Spanje zat een oehoe met gespreide vleugels op de grond. Op klaarlichte ochtend. De uil keek niet rond. Uilen kijken rond, bijna 360 graden, zeker als er mensen aankomen. Deze uil keek naar beneden. Leefde hij wel? Nee, hij had een gebroken nek, hoewel zijn ogen nog glansden. Ik wipte met twee vingers onder de snavel zijn kop iets omhoog en de vogel keek even dwars door me heen als een levende oehoe zou doen. Ik houd ervan als er dwars door me heen gekeken wordt. Ik houd van unheimnlichkeit. Uilen hebben iets unheimlichs. Geruisloze schimmen in de nacht. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Mauretaans dagboek: Dribbelaar

Mauretaans dagboek: Dribbelaar

Als we drieteenstrandlopers vangen, brengen we ze in een krat per auto naar het veldstation, waar we ze meten, wegen en ringen. Uit het gewicht is onder meer af te leiden of ze in conditie zijn. Als maat voor hun omvang gelden de vleugellengte, de kopomvang, de lengte van hun teen en vooral van hun tarsus. De tarsus is bij een vogel wat bij ons de voet is. Bij vogels staat die voet rechtop, ze lopen op hun tenen. Wat een knie lijkt is hun enkel. Drietenen lopen op drie tenen aan elke voet. Alle andere strandlopers hebben een vierde teen die naar achteren steekt. Drietenen niet en ik heb eens gelezen dat ze daarom zo goed kunnen rennen. Maar Jeroen betwijfelt dat, en bewezen is het niet. Hoe dan ook, drietenen zijn echte loopvogels. Ze rennen langs de waterlijn aan zee.

Ze overwinteren op stranden van Schotland tot Zuid-Afrika. Sommige blijven in Nederland, andere gaan naar Mauretanië, de volgende gaan naar Ghana. Tegenover de langere vliegreis staat een hogere temperatuur en een lager energieverbruik. Jeroen wil achterhalen wat de voor- en nadelen van die drie plekken zijn.

Drietenen broeden heel noordelijk, er zijn maar weinig gebieden noordelijk genoeg: enkele Canadese eilanden, het noorden van het Siberische schiereiland Taimyr en Noord-Groenland. Daar brengt Jeroen drie zomers door. In twee zomermaanden je kuikens grootbrengen, is haastwerk. Sommige drietenen zouden zelfs twee gezinnen opvoeden. Maar dat blijkt een mythe, ontdekt Jeroen in Groenland. Hoe? Lees het in Een Groenlander in Afrika.

(Oorspronkelijk gepubliceerd 28  jan. 2009)

DELEN
Column De Drieteenstrandloper

Column De Drieteenstrandloper

In november is het strand leeg. Of nou ja, bijna leeg. in de verte loopt een wandelaar. Hij gooit iets weg,wat door een hond geapporteerd wordt. En er zijn vogels. Vijftien, twintig drieteenstrandlopers staan op een kluit. Het is vloed, de vogels wachten tot de zee zich terugtrekt en ze op het vochtige, droogvallende zand wormen kunnen vangen. Het waait straf en kil uit het oosten. Ze kleumen achter een hoopje zeewier. Elk op één poot, op drie tenen dus. Met hun kop in de veren zijn ze net iets hoger dan hun plantaardige windscherm. Ik begluur ze van veilige afstand door de telescoop. Twee drietenen dreigen buiten de boot te vallen. Ze staan naast de rest en vangen de wind. Dat wil zeggen: één van beide vangt de wind. Die hipt op één poot opzij, de luwte in, waarbij hij zijn kop niet uit de veren haalt. Van zijn sprongetje schrikt de ander, die iets naar buiten hipt en nu in de wind staat. Die hipt vervolgens terug, waarvan de ander schrikt. Zo lossen ze elkaar een tijdje af. Tot één zich erbij neerlegt, al blijft hij staan. Hij draait een kwart slag, waardoor hij zijwind vangt. Mij lijkt dat onvoordelig, maar ik weet niet wat er in het drieteenkoppie omgaat. De wind waait zijn veertjes uit model, ze staan als een punkkapsel overeind. Hij leunt zijwaarts tegen de wind, zijn ene pootje staat bijna diagonaal, zo scheef. Zijn andere pootje houdt hij zo hoog opgetrokken, dat er niets van te zien is. Plotseling schiet hij langs de groep naar voren. Naast het zeewier heeft hij iets ontdekt. Hij trekt, hij sjort, er komt een worm tevoorschijn. Het is een lange, dunne worm. De drieteen houdt hem strak gespannen, maar trekt niet zo hard dat de worm breekt. Hij heft zijn kop steeds hoger, tot hij niet meer verder kan. Met geheven hoofd maakt hij een achterwaarts sprongetje, waarbij de worm los schiet. Plotseling vliegt de rest van de groep er in één beweging vandoor. De wormenvanger volgt. Een driehoekje zand naast het zeewier blijft achter, vol pootafdrukjes. Pootafdrukjes van drie tenen. De worm kronkelt lang en dun. Waarom zouden ze nou zijn weggevlogen? Een slechtvalk? Net als ik omhoog wil turen, hoor ik gehijg naderen. Ik kijk om. Er komt een hond aanrennen. Hij legt een tennisbal voor me neer, kijkt me hoopvol aan en blaft.

Koos Dijksterhuis, Gesproken column op Vara’s Vroege Vogels radio 1

DELEN
Mauretaans dagboek: Kanoet

Mauretaans dagboek: Kanoet

Met eb vallen de wadplaten en zeegrasvelden in de Banc d’Arguin droog. Ideaal voor kanoeten. Kanoeten eten schelpdiertjes. Die slikken ze zonder kauwen door en kraken ze in hun gespierde maag. De weekdieren graven zich in, maar kanoeten vinden ze met een vleermuis-achtige techniek. Hun snavelpunt zit vol hooggevoelige zenuwen. Door in de bodem te pikken, veroorzaakt een kanoet een drukgolfje. Dat plant zich voort, wordt door schelpen teruggekaatst en opgevangen door de snavel. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Blij met dode vogels

Blij met dode vogels

© foto Harvey van Diek, Beflijster

Voor de vakantie schreef ik dat ik twee keer per week in ons roetsige busje naar Flevoland op en neer rammelde. Dat ik de weg droomde en er desondanks vanaf raakte door een zeearend. Dat ik overal doodgereden dieren zag liggen. Dat die er een week later nog net zo bijlagen. Het was toen nog koud – de warmte had vast korte metten gemaakt met die krengen. Maar iets anders maakte de metten kort. Na dat natuurdagboek kreeg een ornithologisch aangelegde Trouw-redacteur een e-mail van een preparateur die (wan)hoopte dat ik toch wel het benul had een dode blauwe kiekendiefman mee te nemen en in te vriezen? …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Spotvogel

Spotvogel

© foto Harvey van Diek, Spotvogel

De koekoeken, gierzwaluwen, bosrietzangers, tuinfluiters en karekieten zijn thuis. Als je Nederland thuis noemt. Het grootste deel van het jaar zijn ze niet thuis maar in Afrika of onderweg. Ook een nachtegaal heb ik gehoord. Zomertortels keren ook terug, maar heb ik nog niet gezien of gehoord. Die voorheen algemene erfvogels zijn zeldzaam geworden. Het wachten is op notoire laatkomers als spotvogel en wielewaal. De laatste is zo zeldzaam geworden dat ik hem toch niet hoor. Maar spotvogels hoor ik elk jaar nog. Altijd een feestelijk wederhoren. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
De schaamteloze, vrije koekoek

De schaamteloze, vrije koekoek

© foto: Harvey van Diek

De bloemen en insecten die verschijnen, zijn niet meer bij te benen. Vogels gaan nog. Vorige week zag ik de eerste gierzwaluwen. Drie van deze snelle jongens of meisje gierden van Zuid- naar Oost-Flevoland. Toen hoorde ik ook de eerste tuinfluiter, de eerste kleine karekiet, de eerste bosrietzanger. Maar die gierzwaluwen brachten de lente. De eerste koekoek hoorde ik juist op de regenachtige maandagochtend na een week zon. Ik werd om zes uur wakker en hoorde ‘koekoek’, gevolgd door ‘koekoekoek’, want bij een koekoek slaat de stem weleens over. Het gaat niet zo best met onze koekoeken. Hun leefgebied hier wordt er niet beter op, de grote rupsen waar ze zo gek op zijn, zijn niet meer zo talrijk, en in Afrika gaat hun winterverblijf er ook al niet op vooruit. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Weerloze stuntels van langpootmuggen

Weerloze stuntels van langpootmuggen

Langpootmug. © Maarten Westmaas

Ik kwam de eerste langpootmuggen alweer tegen. Muggen zijn niet mijn lievelingsdieren maar langpoten, och. Ze doen niets. Zelfs dat griezelig puntige achterlijf kan niet steken. Dat is de legboor, alleen vrouwtjes hebben er een. Bijten kunnen ze ook al niet. Voor bijten heb je tanden of kaken nodig. Langpootmuggen hebben een mondje waarmee ze hooguit wat nectar uit een nachtelijke bloem slobberen. …

Lees Meer Lees Meer

DELEN