Natuurdagboek 2025
Kommavlinder, kale jonker, blauwe knoop

Kommavlinder, kale jonker, blauwe knoop

Kommavlinder op blauwe knoop. Foto Koos Dijksterhuis
Kommavlinder op blauwe knoop. Foto Koos Dijksterhuis

Met natuuronderzoeker Klaas Jager wandel ik door een heide in Zuidoost-Friesland. Het is augustus: vliegtijd van de kommavlinders, die hij elk jaar telt. Ze leven in een klein deel van het gebied. Daar groeien de grassoorten waar deze vlinders hun eitjes op afzetten, zoals schapengras en diverse struisgrassen. Kommavlinders overwinteren als eitje, in de lente verschijnen de rupsen. Ze zijn zeldzaam: op het vasteland van Friesland komen ze alleen in dit gebied voor.

Kommavlinders zijn kleine, oranjebruine vlinders. Ze horen bij de familie van dikkopjes en lijken het meest op het groot dikkopje, dat veel algemener is. Het groot dikkopje is egaler oranje en zijn vliegtijd loopt op zijn eind; we zien er niet een. Wel zien we twee zwartsprietdikkopjes. Alle dikkopjes hebben een karakteristieke, driehoekige vorm en een brede kop met grote zwarte ogen. Die geven de vlinders een verbaasd uiterlijk.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
De mooie bontbek

De mooie bontbek

Bontbekplevier Foto Jeroen Reneerkens
Bontbekplevier. Foto Jeroen Reneerkens

Het zijn zulke mooie vogels: bontbekplevieren in zomerkleed! Meestal zie je ze niet van dichtbij, en heb je een verrekijker nodig. Ze scharrelen door en langs ondiepe wateren: meren, zeearmen, wadden… In dat open terrein ben je als verticale gluurder van één meter tachtig heel zichtbaar. Kom je te dichtbij, dan snorren de bontbekken ervandoor.

Daarom is het handig ze vanuit dekking te bekijken, een vogelhut bijvoorbeeld, en vooral: door die verrekijker. Dan zie je dat de dribbelende bolletjes prachtig uitgedost zijn met een zwarte borstband en oogmasker, een witte buik en grijze rug, gele poten en een gele snavel met een zwarte punt. Aan die snavelpunt danken ze hun naam.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Wilde bomen

Wilde bomen

Ruewe berk. Foto Koos Dijksterhuis
Ruewe berk. Foto Koos Dijksterhuis

De nieuwe Veldgids Wilde bomen en struiken (KNNV-uitgeverij, €39,95), door Lodewijk van Kemenade en Bert Maes, behandelt 53 houtige gewassen met hun ondersoorten, kweekvormen en exotische verwanten. Een heerlijk boek om in te bladeren, met duidelijke foto’s.

Bij de meeste soorten staat een paragraaf over in hoeverre ze nog wild zijn. Wild in de zin van inheems of autochtoon voorkomend. Dit is namelijk niet alleen een determinatiegids voor wie wil weten welke boom of struik er in de bosrand staat, het is vooral een gids om wilde van niet-wilde soorten te onderscheiden. Van veel bomen is het onbekend of ze oorspronkelijk op hun plek stonden, er later zijn geplant, of vanuit een aangeplant bosje zijn overgewaaid.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Witgat(je)

Witgat(je)

Witgatje. Foto Koos Dijksterhuis
Witgatje. Foto Koos Dijksterhuis

Een van de vroege doortrekkers die na het broedseizoen ons land aandoen is het witgatje, tegenwoordig de witgat genoemd. De commissie van Ornithologen Met Verstand Van Vogelnamen houdt niet van verkleinwoorden. Ik ook niet, behalve bij sommige planten- en vogelnamen. Rozenkransje, madeliefje, vergeet-me-nietje. Roodborstje, winterkoninkje, goudhaantje. En witgatje dus. Klinkt toch vriendelijker dan witgat. Witgat klinkt als bleekscheet.

Witgatjes zijn steltlopers die langs oevers scharrelen en waden. Ze lijken op bosruiters en oeverlopers. Net als witgatjes passeren die laatste twee ons land in de lente en nazomer. Van witgatjes blijven er trouwens altijd wel een stuk of wat de hele winter plakken.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Lezen Apollovlinders het waarschuwingsbord niet?

Lezen Apollovlinders het waarschuwingsbord niet?

Grote weerschijnvlinder Foto Koos Dijksterhuis
Grote weerschijnvlinder. Foto Koos Dijksterhuis

Bij en met vrienden in de Eifel togen wij twee dagen de velden in op zoek naar dagvlinders. In de Eifel houden nog aardig wat bloemrijke hooilandjes stand tegen de door de EU gesubsidieerde intensivering.

Voor dagvlinders hoef je geen einden te lopen, integendeel; rondhangen en kijken levert vaak meer op. Steeds meer vlinders zie je dan en zij zien jou allengs minder als iets levends, en komen soms dichtbij.

Een stukje dwars door zo’n wei levert wel een zwerm vlinders en ander gevleugelte op: grasmotjes, hommels, kevers en sprinkhanen. Van de vlinders houden bruine zandoogjes en zwartsprietdikkopjes wel van hoog gras. Oranje zandoogjes en geelsprietdikkopjes zoeken het wat schraler.

We zagen 25 soorten dagvlinders, waaronder de door mij verlangde grote weerschijnvlinders en het scheefbloemwitje. Maar mijn droomsoort zagen we niet: de apollovlinder.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
De planten van Schiermonnikoog

De planten van Schiermonnikoog

Parnassia. Foto Koos Dijksterhuis
Parnassia. Foto Koos Dijksterhuis

Dankzij de nieuwe ‘flora van een waddeneiland’, over ‘wat er groeit en bloeit’ op Schiermonnikoog, ga ik daar met hernieuwd elan planten zoeken. In het lijvige boekwerk van Thijs de Boer, Cynthia Borras en Erik Jansen staan meer dan zevenhonderd planten, waarvan de hogere soorten allemaal met een foto. Onopvallend en niet-bloeiende soorten, zoals grassen en varens, zijn niet allemaal op de plaat gezet.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
De najaarsuittocht is begonnen

De najaarsuittocht is begonnen

Grauwe klauwier vrouwtje voert jong Foto Koos Dijksterhuis
Grauwe klauwier vrouwtje voert jong. Foto Koos Dijksterhuis

Een vogelaar, herkenbaar aan zijn verrekijker, passeerde mij op de fiets toen ik de hond uitliet. Ik vroeg of hij iets had gezien. Nee, zei hij. Dat is vogelaarstaal voor: roodborsttapuit, grasmus, bruine kiekendief en honderd ooievaars. Niets bijzonders dus. Ik verklapte hem dat verderop een nest grauwe klauwieren was uitgevlogen. En dat hij alle paaltjes moest afspeuren, met kans de moedervogel haar jongen te zien voeren.

De vogelaar leefde op, want hij had dertig jaar geleden als biologiestudent een seizoen meegedraaid in een onderzoek naar grauwe klauwieren. Dat gebeurde in het Bargerveen door de Stichting Bargerveen van de overleden, tamelijk legendarische Hans Esselink. Diens stichting is trouwens nog steeds heel actief, maar de vogelaar was inmiddels leraar geworden. Hij vertelde dat vader klauwier na het uitvliegen van de jongen alvast koers zet naar West-Afrika. Ik had dat mannetje inderdaad al zeker een week niet gezien. Het vrouwtje bleef nog even bij de jongen, om dan ook af te taaien.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Lelie van roggeveldjes

Lelie van roggeveldjes

Roggelelie + zwartsprietdikkopje. Foto Koos Dijksterhuis
Roggelelie + zwartsprietdikkopje. Foto Koos Dijksterhuis

Laatst schreef ik over de onlangs overleden roggelelieman Fred Bos, die jarenlang werkte aan bescherming van roggelelies in Duitsland en aan herintroductie van die planten in Drenthe. Ik ben een keer zonder hem en een keer met hem in een gebiedje wezen kijken waar veel roggelelies groeien.

Roggelelies zijn akkerplanten, al kunnen ze ook in sommige tuinen overleven. Hun standplaats hoeft niet per se rogge te zijn, maar de omstandigheden in rogge zijn vanouds ideaal voor deze bolgewassen. In tuinen komen allerlei soorten lelies voor, vaak van een ander geslacht, met ander blad en bloemen in uiteenlopende kleuren. Echte tuinlelies zijn tijgerlelies. Die hadden we vroeger in onze tuin en mijn moeder plukte er leliehaantjes af om ze te vermorzelen. Leliehaantjes zijn kevers die lelies eten. Fred Bos deed hetzelfde met de haantjes op de roggelelies. Vlinders daarentegen werden toegejuicht, zoals het zwartsprietdikkopje op de foto.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Onderhoudsarme tuin

Onderhoudsarme tuin

Duizendblad, biggenkruid, steenanjer, brunel, rolklaver in de tuin van Koos Foto Marijke Wempe
Duizendblad, biggenkruid, steenanjer, brunel, rolklaver in de tuin van Koos. Foto Marijke Wempe

Op weg naar het buitengebied passeer ik voortuinen. De onderlinge verschillen zijn enorm. Van tuinen die de vrije hand krijgen tot steentuinen toe waar elk leven in de kiem gesmoord wordt. Daar tussenin zijn de tuinen waarin veel wilde bloemen staan en tuinen met veel tuincentrumbloemen.

Ik zie wel eens mensen preventief wieden. Ik kan althans met het blote oog niet zien dat er iets te wieden is, toch zie ik ze in de weer met schepjes, tegelmessen of azijn. Roundup zie ik hier gelukkig niet, we leven in een goede buurt. Dat is voor particulieren trouwens al acht jaar verboden, maar makkelijk verkrijgbaar, en ik zie er soms mensen mee hun stoepje bespuiten. Ze vinden misschien dat ze een voltooid leven hebben, je weet de beweegredenen niet.

Lees Meer Lees Meer

DELEN
Een bij in cowboybroek

Een bij in cowboybroek

Pluimvoetbij op biggenkruid. Foto Koos Dijksterhuis
Pluimvoetbij op biggenkruid. Foto Koos Dijksterhuis

Nog steeds zijn er lieden die denken in termen als ‘de bij’. De bij, die met een heleboel soortgenoten in een korf of kast honing maakt. Er zijn nochtans meer dan driehonderd soorten bijen in Nederland, al zijn de meeste lang niet zo talrijk als die ene honingbij. Een volk dat zijn bloemen wegmest, zijn tuinen betegelt en zijn insecten doodspuit verdient niet beter. Maar voor de bijen is het verdrietig.

Eén van de driehonderd soorten is de pluimvoetbij. Dé pluimvoetbij? In (vooral Zuid-)Europa komen vijftien soorten pluimvoetbijen voor. Maar in Nederland is er maar één. De vrouwtjes van pluimvoetbijen hebben harige borstels aan hun achterpootjes: pluimen, waarmee ze stuifmeel verzamelen. De pluimen zijn roze, maar na een paar bloembezoeken zien de bijen eruit alsof ze een knalgele cowboy-broek dragen, met van die brede leren flappen om de jeans eronder te beschermen.

Lees Meer Lees Meer

DELEN