(Zwart-)witte kwikstaart

Witte kwikstaart. Foto Koos Dijksterhuis

Alles went, en dat betekent dat lelijkheid minder lelijk en schoonheid minder mooi wordt, naarmate je de lelijkheid of schoonheid in kwestie vaker ziet. De schoonheid van een paardebloem, koolwitje of ekster valt ons evenmin op als de lelijkheid van een overslagloods voor vrachtwagens. Ik probeer de schoonheid van het gewone wél te blijven zien, en neem op de koop toe dat ik de alomtegenwoordige lelijkheid ook zie.

Een witte kwikstaart is een bijzonder mooie vogel, maar zo talrijk, dat je er oog voor moet houden. De vogel helpt daarbij door zich ’s winters een tijdje verre van ons te houden. De meeste van de witte kwikken trekt naar Frankrijk en Spanje, sommige wagen zich Afrika in. Maar dat zijn de doorzetters. De meeste kwikken zijn niet zo van de lange afstand. In zachte winters blijven er al aardig wat in Zuid-Nederland en België hangen.

En in februari keren de eerste alweer terug, gevolgd door duizenden witte kwikstaarten in maart. In golvende vlucht vliegen ze over, hun roepjes twitterend. Met die lange, donkere maar wit gezoomde staarten en hun op-art uiterlijk zijn ze nauwelijks met andere vogels te verwarren. Op-art was een kortstondige kunstuiting in de jaren ’60, met nadruk op zwart-wit.

Witte kwikstaarten zijn zwart, wit en grijs. Vooral hun kop is contrastrijk. Een zwarte kruin en een zwarte bef, met daartussen spierwitte wangen en voorhoofd. En als ze, net gearriveerd, over het gras of langs de oever hippen met die eeuwig kwikkende staart, is het of ze zich meteen weer helemaal thuis voelen.

Ze komen in allerlei open en halfopen landschappen voor, maar nooit in hoge dichtheden. Ze broeden graag op een plank in of onder een vogelkijkhut of ander bouwwerk in de natuur. Ook in nestkasten kunnen ze zich settelen, onder afdakjes, dakpannen, in dicht struikgewas of in ooievaarsnesten; ze zijn flexibel in hun woonplaats, als ie maar beschut is.

(Natuurdagboek Trouw vrijdag 15 maart ’19)