Zwart-rood kikkerspringertje

Bloedcicade, Foto Koos Dijksterhuis

Elk jaar in juni kom ik ze plotseling weer tegen. Op één plek langs een akker, weiland, sloot of bos zie ik onverwacht de zwart met vuurrode beestjes. Prachtig, dat zwart met vuurrood, een kleurencombinatie die vaker voorkomt onder insecten. Vaak begint de naam van die zwart-roden met ‘vuur’. Zo niet de bloedcicade.

Bloedcicaden leggen in de herfst eitjes op gras of blad. Die komen uit in het vroege voorjaar, waarna de larve (nimf) zich in een klodder spuug hult. Dat schuim beschermt tegen uitdroging en vijanden. Nimfen van bloedcicaden leven ondergronds, waar dat schuim hen tegen roofvliegen- en keverlarven beschermt. Ze zuigen sappen uit wortels van grassen en andere planten. Daarbij drinken ze veel, wat nodig is voor het schuim, dat ze uit hun achterwerk afscheiden.

Bloedcicadenimfen hebben zich intussen verpopt. Ze komen de grond uit en laten zich zien tussen het gras. Ze kunnen vliegen en maken zich, als ik te dichtbij kom, ook fluks uit de voeten, maar dat doen ze niet vliegend. Ze springen met een noodgang weg, alsof ze gekatapulteerd worden. Als een schuimcicade wegspringt, denk je algauw aan een kleine sprinkhaan. Hun achterpoten zijn ook zo sterk als die van sprinkhanen, of vlooien, maar zijn niet extreem lang. In het Engels heten ze geen grasshoppers (sprikhanen) maar froghoppers: kikkerspringers.

Ik zie steeds meer bloedcicaden. Sommigen zitten met hun achterste over elkaar geschoven. Met hun tweeën vormen ze een letter V, de konten bijelkaar. Die zijn aan het paren. Straks zetten ze hun eitjes af, en is de cirkel rond. Dan vergeet ik ze weer tot volgend jaar juni, als ik ineens denk: hé!