Zwaluwen fladderen

© Koos Dijksterhuis

In de uitkijkhut waar we overnachten moeten we uitkijken voor de zwaluwen. Er fladderen er zes rond. Twee ouders, vier jongen. Er zitten twee nesten op plafondbalkjes. De zwaluwen zijn al uitgevlogen. Althans, een eindje.

Ze verlaten de hut nog niet. De ouders wel, die vliegen in en uit, af en aan. Ze halen vliegen, muggen, vlinders en wat niet voor gevleugelds en geleedpotigs in huis. Als ze naar binnen willen, schrikken ze van onze hoofden voor het kijkgat. Maar er zijn kijkgaten zat. Als we een ander kijkgat nemen, komen ze daar fladderen. Ineens snorren ze naar binnen, een windvlaagje van hun vleugels streelt de wang. Hun jongen fladderen ze tegemoet of blijven op een balk kwetteren. Het gekwetter is niet van de lucht en ze kwetteren allerlei geluidjes. Zwaluwen hebben een uitgebreid vocabulaire. Boerenzwaluwen zijn het, met een donkere, blauwglanzende bovenkant en een gevorkte staart met lange punten. Boerenzwaluwen nestelen meestal ín gebouwen, huiszwaluwen ertegenaan. Hoewel buiten onder het afdak een derde nest hangt, waaruit bezorgd een boerenzwaluw gluurt.

De oudervogels zoeken een eigen slaapplek, hun jongen kruipen tegen elkaar aan. Even is er wat gedoe over wie naast wie mag, dan daalt de rust neer over de vier Daltons. Aan de stapel poepjes op de grond is te zien dat ze een geliefde plek hebben ingenomen. ’s Morgens hervat het gefladder en gekwetter zich. De vogels trekken zich niets van ons aan, en wij ons niets van hen.

Boerenzwaluwen broeden in stallen en schuren, ze metselen nesten van modder, mest en speeksel, ze vangen vliegen boven de mestvaalt. Aan steriel, modern landbouwgebied hebben ze niets.