Zonderlinge waaierdrager

Waaierdrager Metoecus paradoxus. Foto Koos Dijksterhuis
Waaierdrager Metoecus paradoxus. Foto Koos Dijksterhuis

In mijn tuin stuntelt iets door het gras. Het probeert zich voor me te verstoppen, klauterend over grassprieten. Het struikelt en herstelt fladderend zijn evenwicht. Ik zie een gele buik. Het heeft het lijf van een bloedbij, antennes van een nachtvlinder, vleugels van een bladwesp en schildjes van een kever.

Ik vraag rond, blader door boeken en websites en raadpleeg het wondermiddel waarneming.nl. Moet de foto bij wespen of kevers? Ik gok een bladwesp; bij de wespen dus. Na uren komt de oplossing: de waaierdrager Metoecus paradoxus. Toch een kever

Ja, dat is hem! Waaierdragers parasiiteren op wespen. Waaierdragerlarven leven van wespenlarven. Ik heb een wespennest onder mijn dak! Als klein larfje leeft een waaierdrager in de wespenlarve en sabbelt hij aan diens lichaamsvochten. Hij knaagt zich een weg naar buiten en groeit om de wespenlarve heen. Die wordt volledig opgegeten. Vervolgens verpopt de larve zich tot kever en verlaat hij hals over kop het wespennest. Zou ‘mijn’ waaierdrager net uit het wespennest zijn ontsnapt?

Maar hoe kwam hij daar binnen? Rond 1900 ruzieden natuurvorsers over deze heikele kwestie. Een volwassen waaierdraagster zou een wespennest binnendringen en een eitje in een wespenlarve boren, dacht het ene kamp. Nee, protesteerde de tegenpartij, niemand heeft ooit een waaierdrager een wespennest zien binnendringen.

De laatsten hadden gelijk. Een waaierdrager legt in de herfst haar eitje op rottend hout. In de lente, als wespen houtpulp nodig hebben voor hun kraamkamers, komt er een piepklein larfje uit. Dat klimt op de rug van een houtvestende wesp, lift mee het nest in en zoekt een wespenlarve uit.

Met dat uiterlijk en die leefwijze wordt de soort ook zonderlinge waaierdrager genoemd. Alsof er niet-zonderlinge bestaan.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 4 sept. 2014)