Zangvogels bij het duinmeer

Cremermeer. Foto Koos Dijksterhuis
Cremermeer. Foto Koos Dijksterhuis

Bovenop een duin staat een houten bank. Op het bankje zit ik. Onder me strekt zich het Cremermeer uit. De oever is links begroeid met wilgen, rechts met duindoorns. Kleine vogeltjes vliegen van wilgen naar duindoorns, andere van duindoorns naar wilgen. Ze vliegen snel. Ze zijn klein en tegen de lichte wolken lijken ze allemaal donker. Sommige zijn iets plomper, het lijken me vinken, andere zijn heel iel, dat zullen wel fitissen zijn. Wilgen aan het water, dat is vragen om fitissen.

Ik zit stil, houd de kijker paraat. Steeds meer gescharrel en gehip zie ik. Inderdaad, in de wilgen spoken fitissen rond. Daar zit er één op een uitstekende tak. Ik richt de kijker. Nee, het is geen fitis, maar een jonge pimpelmees. Een volwassen pimpelmees voegt zich erbij.

Ook die vier witte kwikstaarten die van achter de duindoorns voorbij golven, lijken me een jong gezin. Vader en moeder, beide zwart-wit met grijze rug en twee nog grijze jongen. Eén ervan wordt achternagezeten door een roodborst. Aan de waterkant waadt witte kwikstaart nummer 5. Vast geen familie. Kwikstaarten zoeken vaak eetbare beestjes langs de waterkant. Het zijn de waadvogels onder de zangers.

Ineens klinkt luide vogelezang. Een snel, wispelturig liedje met heldere klanken en gekras. Bovenin een duindoorn, zo zichtbaar als maar kan, zingt een anders zo verlegen grasmus. Hij springt op en dwarrelt uit het zicht omlaag. Het is weer stil. De meeste vogels zitten op de eieren of hebben jongen. Ze houden zich koest, aandacht trekken is gevaarlijk. ‘Koekoek!’ hoor ik. Hé die is laat!

Uit de wilg snort een vogel de plas over: een blauwborst, met roodbruine vlekken op zijn staart.

(Natuurdagboek Trouw 16 juli 2013)