Zangers uit het zuiden

Fitis of tjiftjaf, Foto Meint Mulder
Fitis of tjiftjaf, Foto Meint Mulder

Nog geen tjiftjaf gehoord, laat staan een fitis en al helemaal geen zwartkop. Toch moeten ze er zijn. Tjiftjaffen zijn half maart meestal wel terug. Fitissen arriveren twee weken later. Ze overwinterden in West-Afrika op de savanne. Er zijn er misschien wel meer teruggekeerd dan anders, want ze hadden een relatief goede winter in Afrika. De regentijd was er natter en duurde langer dan anders, de savanne was groen en weelderig en bleef de hele winter een bron van insecten.

Maar ja, dan komen ze hier aan en giert er een Siberische wind over een winters landschap. Geen insect te vinden. Moe en uitgehongerd zijn ze na een paar duizend kilometer over de Sahara, de Atlas, de Middellandse Zee, Spanje en Frankrijk en dan krijgen ze dat. Hopelijk zijn ze onderweg nog even blijven hangen. En als ze hier al zijn, weten ze dat goed te verbergen. Voor mij althans, ik hoor merels, mezen, mussen, vinken, boomklevers, maar geen fitissen of andere zuiderlingen. Nada.

Het is wel zonnig geweest, dagenlang. Op een beschut plekje zag ik een houtduif zitten koeren. Uit de wind en in de zon was het goed toeven. De lente is begonnen, het was volle maan, dus Pasen staat voor de deur. Maar de tjiftjaffen en fitissen wachten nog. En wij wachten mee.

Tjiftjaffen en fitissen zijn klein, groenig en onopvallend. Ze lijken op elkaar als tweelingen. Maar ze laten zich wel horen, als ze er zijn. En als er één is, zijn er meer. Tjiftjaffen herhalen eindeloos hun naam, vrij luid en schel. Fitissen zingen melodieuzer. Ze beginnen hoog en riedelen omlaag, waar het deuntje in mineur eindigt.

(Natuurdagboek Trouw 28 maart 2013)