Zakdragers

Zakdrager. Foto Koos Dijksterhuis

In zoons slaapkamer hangt een langwerpig eh… slurfje aan het plafond. Een grillig kokertje van ruim een centimeter lengte. Later ontdekken we een tweede en een derde. “Ze bewegen”, griezelt zoon. “Niet alles wat beweegt is vies of eng”, beleer ik. Hij rolt zijn ogen naar boven.

Inderdaad bewegen de slurfjes. Voordat ik het Natuurdagboek schreef, had ik geen idee gehad wat het waren. Ik leer veel over de natuur, omdat ik erover schrijf. Wat is die natuur leuk, mooi en verrassend. Neem nou deze drie merkwaardige slurfjes.

“Ben je bang voor vlinders?” Zoon ontkent. “Mooi, want dit zijn piepkleine vlinders, of liever: hun rupsjes.” Jaja, zal best, zoon dirigeert me zijn kamer uit.

Zakdragers zijn het. Biologen verzinnen graag scabreuze namen. Zo bedachten ze zakpijp, beflijster en kwak. De zwam phallus impudicus en de zeeslak vulva vulva zal ik maar niet vertalen. We zijn een nette krant.

Zakdragers zijn piepkleine nachtvlinders. Hun rupsen boetseren een zak, of eigenlijk een koker van wat voorhanden is, vooral minuscule twijgjes en grassprietjes. Waarschijnlijk huisvest zoon de algemeenste zakdrager van ons land, die overal voorkomt, van uitgestrekte vlakten tot bossen, tuinen en huizen. Als dit echt gewone zakdragers zijn, zitten er rossige rupsen in, met gele strepen. Ik ga er geen uit zijn koker pellen, dat vind ik zielig.

Ze overwinteren in de koker en verpoppen zich in de lente. Het mannetje vliegt weg naar een vleugelloos vrouwtje dat uit haar koker reikhalst naar een paring. Ze legt eitjes en dan sterft het vrouwtje. Ze wordt opgegeten door haar baby’s, die vervolgens op pad gaan.

Wat zouden ze nog meer eten? Rupsjes hebben toch nooit genoeg? Ze eten gras, en anders bladeren en anders “andere materialen”, lees ik op een microvlinderwebsite. Mmm, zouden ze de chipszakken uitlikken die zoon soms laat slingeren? “Bah!” roept hij, en hij leegt zijn prullenbak.

(Natuurdagboek Trouw vrijdag 22 februari ’19)

Zakdragers
DELEN