Wonderlijke hersenspinsels uit Walden

Wild kamperen. Foto Koos Dijksterhuis
Wild kamperen. Foto Koos Dijksterhuis

“Het is merkwaardig dat een muis een hele den voor zijn maaltijd kan gebruiken door in het rond te knagen in plaats van verticaal”, schrijft Henry Thoreaux in zijn legendarische verslag Walden over zijn twee jaar in een boshuisje. Een leuke observatie, die Thoreaux meteen verklaart: “misschien is dat nodig om deze bomen uit te dunnen, die te dicht opeen groeien.”

Het was 1847, twaalf jaar voor Darwins meesterwerk Over het ontstaan van soorten verscheen, en achter alles moest een plan zitten.

Eindelijk las ik Walden, dat is heruitgeven door de Bezige Bij. Het boek inspireerde generaties natuurliefhebbers, natuurbeschermers, hippies en andere idealisten.

Zelf fantaseer al sinds mijn achtste over hoe ik mij in de natuur in leven kan houden. Helaas zou me dat niet meevallen. Ik heb nog nooit een kip geslacht, laat staan een hert gevild. Ik hou het maar bij wild kamperen in de zomer.

Walden blijkt voor een groot deel uit onnavolgbare hersenspinsels te bestaan. Sommigen noemen hem daarom een filosoof. Dat lijkt me een onderschatting van de filosofie. Zijn observaties zijn scherp en leuk, maar geven steeds aanleiding tot bladzijdenlange, onnavolgbare mijmeringen.

Over Walden wordt beweerd dat het bodemloos is. Met een steen aan een meetlint door een wak ontdekt Thoreaux dat het diepste punt 36,5 meter is. Dat punt ligt precies daar waar het meer zowel het langst als het breedst is. Meteen suggereert Thoreaux dat dat voor alle meren geldt, voor oceanen en voor bergen, als omgekeerde meren. En waarom niet ook voor mensenkarakters? “Lengte en breedte van het samenstel van iemands speciale gedragingen en levensgolven”, aldus Thoreaux, “waar die elkaar snijden zal zich het hoogte- of dieptepunt van zijn karakter bevinden.”

(Natuurdagboek Trouw woensdag 29 juli 2015)