Witte kwik met grijze rug

Witte kwikstaaart. Foto Jeanette Essink
Witte kwikstaaart. Foto Jeanette Essink

Eén van de vroegste lentevogels is de witte kwikstaart. Strikt genomen is de witte kwik zelfs jaarvogel. Er zijn meestal wel een paar vogels die de hele winter in Nederland blijven. Maar de meeste kiezen dan toch een (iets) zuidelijker verblijfplaats. Andere vluchten alsnog, als het gaat vriezen.

De eerste witte kwikken die ik in maart zie, laten mijn hart altijd een klein sprongetje maken: een kwikje, zoals de staart van de vogel doet. Die wipt na een landing altijd een paar keer op en neer. Het is een lange staart, dus dat kwikken valt op. De vogel heeft een herkenbaar roepje (je zou er ‘kwik’ in kunnen horen) en vliegt in al even kenmerkende vlucht over. De witte kwik vliegt golvend, maar niet zo soepel als dat klinkt, hij vliegt meer in hortende golven.

Witte kwikken belanden regelmatig in stadstuinen, maar zijn talrijker op het platteland. Graag hippen en kwikken ze rond langs slootoevers en in rommelig terrein waar insecten huizen. Ze broeden vaak in, op, aan of onder houten bouwsels. Schuren bijvoorbeeld, of vogelkijkhutten.

Niet alle witte kwikken die nu in ons land arriveren, zullen hier blijven en broeden. Vele trekken door naar Noord-Duitsland, Polen, Scandinavië. Het is trektijd en dan kunnen er tussen de witte kwikken sterk verwante soorten opduiken. Dat zijn kwikstaarten die er uitzien als witte, maar dan een gitzwarte rug hebben. Witte kwikstaarten hebben een grijze rug met zwarte kruin, nek en hals. Ook hebben ze zwart aan staart en vleugels. Dat witte slaat vooral op hun wangen en buik. Er zijn ook gele kwikstaarten, en de genoemde zwartruggen. Dat zijn rouwkwikstaarten, op weg naar Engeland.

(Natuurdagboek Trouw 8 april 2013)