Witsnuitlibel

Parende witsnuitlibellen, Foto Jeanette Essink

Zodra de zon schijnt en het warm wordt, gonst het boven de sloten van de gevlekte witsnuitlibellen. Waar zaten ze voordat de zon scheen? In het riet waarschijnlijk, roerloos op een halm, stijf van de kou. Ze zijn niet heel groot, maar wel stevig gebouwd. Het zijn mannetjes, herkenbaar aan de gele driehoek op hun achterlijf. Op het zevende segment, om precies te zijn. Jonge mannetjes hebben vlekken op meer segmenten, maar volwassen mannen alleen op het zevende. Bovendien hebben ze een spierwitte snuit.

Er zijn alleen mannetjes. Ze zijn druk in de weer elkaar in de gaten te houden en zonodig weg te jagen. Zou er een vrouwtje passeren, dan sprong het mannetje dat op het betreffende stukje oever de dienst uitmaakte, er terstond bovenop. Na de paring zou hij het vrouwtje nog even bewaken door erboven te vliegen, tot ze haar eitjes in het water gedropt had. Althans, als ze het gauw deed, het moet niet te lang duren, er zijn misschien nog meer vrouwtjes.

Gevlekte witsnuiten zijn zeldzaam, al zijn ze de algemeenste witsnuitlibellen van Nederland, maar dat zegt meer over de zeldzaamheid van de andere witsnuitsoorten. Maar in de Wieden en de Weerribben zijn witsnuiten vrij algemeen. Het water is er schoon, de oevers zijn er begroeid, er zijn prooien genoeg – kleinere insecten. Vorige week zag Jeanette Essink er zelfs een sierlijke witsnuitlibel, een zeer zeldzame soort die vorig jaar voor het eerst sinds jaren weer in Nederland verscheen. Ze worden al vaker gezien, waarschijnlijk zijn ze in opmars. Dat kan aan klimaatverandering liggen, maar ook aan schoner water, met meer rietkragen.