Wintervlinders

Grote wintervlinders, © Jeanette Essink

Natuurtalent Jeanette Essink meldde vanuit haar tuin (een kleinschalig en afwisselend natuurgebied) nachtvlinders: bosbesuil, wachtervlinder, gepluimde spanner, zwarte herfstspinner en wintervlinder, kleine zowel als grote. Ik vermoed dat haar ramen ’s avonds vol nachtvlinders zitten. Want het mogen dan nachtdieren zijn, op licht komen ze altijd af. Dat zou te maken hebben met hun oriëntatie op maan en sterren. Maar hoe nachtvlinders dat licht ervaren? Het moet onweerstaanbaar zijn.

Grote wintervlinders zjin algemeen, vooral in november. Ze kunnen tot februari blijven vliegen. Ze vliegen ’s nachts, dus zult u ze vooral zien in de koplampen van uw auto of tegen het raam, vooral als u in een bosrijke buurt woont. Jeanette wist er in haar tuin drie tegelijk te fotograferen, drie mannetjes. Het seksen van grote wintervlkinders is een eitje, want alleen de mannetjes hebben vleugels. Deze mannetjes zitten op hulst, maar vrouwtjes zetten hun eitjes liever af op eik, wilg, berk, els, meidoorn en prunus. Dat zijn de door hun rupsen gewaardeerde eetbomen. De vleugelloze vrouwtjes zien eruit als onappetijtelijke larven op pootjes. Mensen vinden een vlinder met vleugels aantrekkelijk, een vlinder zonder afstotelijk.

De eitjes overwinteren en komen in de lente uit. Dan zijn de rupsen gevreesd in de tuinbouw. Als ze met vele zijn, kunnen ze appel-, peren- en pruimenboomgaarden kaalvreten. Of een eikenbos. Iedere lente slaan mensen alarm vanwege de kaalgevreten eiken. In het Latijn heten de vlinders dan ook Erannis defoliaria, de ontbladerende Erannis. Najaarsspanners vliegen nu ook, maar die zijn kleiner. De grote wintervlinder heeft een spanwijdte van ruim vier centimeter. De kleuren van de vlinder zijn zeer variabel.