Winterse vogels bij de Eemshaven

Steenloper. Foto Koos Dijksterhuis

Een vriend en ik gaan naar de Eemshaven in Oost-Groningen. We leunen tegen een horizontaal striemende hagelstorm. Tussen de buien door kijken over de door de opgezweepte vloed krimpende kwelder.

Daar zeilen meeuwen voorbij. Gaandeweg ontdekken we meer gevederd leven. Over de kwelder scharrelen bergeenden, witte vlekjes die in de felle zon oplichten tussen de donkere planten. Erachter steken wadende scholeksters en dobberende eenden juist donker af tegen het zeewater van de Eems. Enorme schepen schuiven door de achtergrond.

V-formaties grauwe ganzen gakken over van land naar zee. Een zwerm wulpen zet juist koers richting binnenland. Riedelend steken ze de dijk over. Achttien goudplevieren volgen hun voorbeeld. Goudplevieren zijn kleiner dan wulpen en hebben geen lange kromme, maar korte rechte snavels. Ze riedelen niet maar fluiten soms kort en melancholisch. Goudplevieren broeden elders, maar brengen de winter bij ons door, vooral langs de waddenkust.

Heel anders fluiten de steltlopers onderaan de zeedijk. Ze hebben witte buiken en grijsbruine ruggen. Ze laten ons vlakbij komen terwijl ze op hun oranje pootjes rondscharrelen en tussen stenen, zeewier en plastic afval wroeten. Steenlopers zijn het, die langs onze dijken overwinteren.

We zoeken de luwte van de dijk tegen de zweepslagen van de hagel en zien de goudplevieren schuilen tussen hompen zeeklei op een kale akker. Vlakbij zwermen ineens tientallen kleine vogels op, en in de vlucht vertonen ze witte vlakken op hun vleugels. Het zijn sneeuwgorzen, noordelijke zangvogels die langs onze kust overwinteren. Ze vliegen samen met wat grotere zangvogels: leeuweriken met zwart en lichtgeel gestreepte kopjes: strandleeuweriken, ook al van die noorderlingen die aan onze kust overwinteren.

Als de zon tussen de wolken doorpriemt, staat een reebok in de schijnwerper. Roerloos kijkt hij naar ons, als een gazelle op de savanne.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 16 januari ’19)