Wintermug

© K. Dijksterhuis

Laatst zat ik ondanks de kou buiten in de luwte. De bedoeling was in de zon te zitten, maar de zon zelf zat achter een gebouw. Verderop waren zonnige plekken en op één zonnige plek dansten muggen. Er dansten vier muggen. Soms dwarrelden ze plotseling uit de zon en uit beeld. Soms zag ik twee, dan weer drie muggen dansen, maar het werden er altijd weer vier. Dansmuggen, denk je dan, maar het waren geen winterse dansmuggen. Het waren dansende wintermuggen. Van wintermuggen bestaan op de wereld voor zover bekend slechts zo’n 170 soorten. Van dansmuggen zijn er meer dan 7000, waarvan een stuk of 400 in Nederland .

Een wintermug lijkt een beetje op een kleine langpootmug. Wintermuggen prikken niet. Dansen is een vredelievende bezigheid. Ze dansen om op te vallen voor potentiële kandidaten voor de geslachtsdaad. De dansers zijn mannetjes, de vrouwtjes kunnen het niet laten toenadering te zoeken. Muggen horen aan het gezoem met welke kunnen ze te maken hebben. Ze zullen het ook vast ruiken. Muggen zijn meesters van de zintuigen, maar wintermuggen proeven niet. Ze eten niet, ze hebben zelfs geen echte mond. Die is in de loop van duizenden generaties verschrompeld tot een rudiment. Hun lekkerbekkende leven hebben de muggen gehad als larve. Toen leefden ze in de bruine bladerlaag op de grond. Wintermuggenlarven eten rottend plantenmateriaal. Als mug leven ze bijna het hele jaar wel, maar in de winter vallen ze meer op. De vier dansers vallen zeker op. Meestal zwelt zo’n zwerm aan, soms tot een heuse wolk. Hoe meer muggen, des te meer opzien ze baren. En daar gaat het wintermuggenmannen om: opzien baren.