Wilde zwanen

Wilde zwaan, © K. Dijksterhuis

Parkeenden zijn wilde eenden, hoe tam ze ook zijn, maar parkzwanen zijn knobbelzwanen, geen wilde zwanen. Die bestaan wel, ze zijn nog groter en zwaarder dan knobbelzwanen, al scheelt het niet veel. Het is een prestatie dat ze hun enorme lijf de lucht in krijgen. De woerden hebben geen knobbel op hun snavel. Wilde zwanen hebben juist een opvallend rechte snavel, geel met zwarte punt. Kleine zwanen hebben ook een rechte, geel-met-zwarte snavel, maar met meer zwart. Bovendien zijn kleine zwanen kleiner dan wilde zwanen. Kleine zwanen zijn even wild als wilde zwanen. Wilde, kleine en knobbelzwanen, drie soorten zwanen, alledrie wit.

Wilde zwanen zijn er weinig, al groeit hun aantal sinds 1970 langzaam maar gestaag. Sinds 2005 broedt een paartje wilde zwanen in Nederland, maar verder broeden ze in het hoge noorden. Bij ons blijven ze van oktober tot maart, met de hoogste aantallen in januari. Eerst kwamen er ’s winters een paar honderd, tegenwoordig zeker vijftienhonderd en op de vlucht voor strenge winters kunnen dat er twee keer zoveel zijn. Deze winter zijn er ook relatief veel wilde zwanen. Ik kreeg meerdere foto’s van ze toegestuurd en zie ze regelmatig. Ik zie ze vaker op akkers dan op weilanden, anders dan de boeken voorschrijven. Ze eten wintertarwe, stoppels van allerlei gewassen, resten van suikerbieten en koolzaad. Prachtige beesten, ze schrijden rond met gestrekte halzen om alles (mij) in de gaten te houden. Laatst hoorde ik ze boven mijn huis. Ze kwaakten niet, ze toeterden. Een feestelijk geluid. Ik keek en zag er vijf vliegen, de ondergaande zon tegemoet. Een wilde witte V in avondrood.