“Wiet wiet”, twitteren de fitissen

Fitis. Foto Koos Dijksterhuis
Fitis. Foto Koos Dijksterhuis

In een kale duinpan is het goed luieren, mits uit de wind. Ik tuur naar de zilvermeeuwen hoog boven me. Een buizerd zeilt over. Iets fladderigs in de struiken op het duin trekt mijn aandacht. Ik pak mijn verrekijker.

Er scharrelen fitissen met snavels vol insecten. Zijn ze onderweg naar hun nest? Nee, hun jongen zijn al uitgevlogen en hippen met hun ouders door de takken van een vogelkers. De ouders verdwijnen soms even in de meidoorn ernaast. Voor de jongen, die het kruip-door-sluip-door van fitissen nog moeten leren, is de kers een gemakkelijker oefenruimte dan de meidoorn. De vogeltjes zeggen steeds “wiet”, ze houden geen moment hun snavel.

Zouden ze elkaar iets te vertellen hebben, of houden ze met dat “wiet” elkaar in het oor, zoals wij elkaar in het oog zouden houden? Ik denk het laatste. Daartoe volstaat een monotoon, éénlettergrepig woord. Wiet.

Achter dat duin schettert een nachtegaal. Soms fladdert een grasmus op, voor een kort baltsvluchtje. Zijn liedje klinkt krasserig. Grasmus krasmus. Ik sluit mijn ogen en doezel weg. In de verte zingt een merel. In de verte zingt een zwartkopje. In de verte roept een koekoek. In de verte klinkt van alles. Er zingt een boompieper: “twieet twieet twieet”, veel langere twiets dan de korte wiets van de familie fitis. In de verte zingt trouwens ook een fitis zijn vrolijk beginnende, maar somber eindigende riedeltje. Die had misschien geen partner, of heeft zijn jongen al zien uitvliegen, of misschien zijn zijn jongen verhongerd of door een kraai opgegeten. Hij zingt er toch maar bij.

De vlakbije fitissen zingen niet. Die twitteren maar door: “wiet, wiet, wiet”.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 11 juni 2015)

“Wiet wiet”, twitteren de fitissen
DELEN