Wesp pakt vlieg

Graafwespje Mellinus arvensis, © K. Dijksterhuis

Gezoem voor het raam in een middeleeuws pand. Tegen het raam hangt een wesp. Het is een kleine wesp, zwart met geel gestreept en met een wespentaille, maar kleiner dan de limonadewesp. Het lijkt me een graafwespje. Graafwespen moeten zand hebben. Al zijn er die in dood hout wroeten. In dit oude huis is veel dood hout. Alleen al die dikke kozijnen van de metershoge ramen. Schuiframen waarvoor krachtsinspanning vereist is. Eén staat open, leunend op een balkje. Zet een raam open en er komen insecten binnen. Ze vinden altijd de weg, maar nooit de weg terug. Onder de ramen is het een slagveld van insectenlijkjes. Vliegen, muggen, bijen, vlinders, juffers – ze verdringen zich achter het zonnige glas tot ze bezwijken aan verdroging. Ik kijk naar de wesp. Ik kijk naar de dode insecten. Er wandelt een vlieg over de vensterbank. Hij poetst zijn achterpoten, hij poetst zijn snuit, vliegen zijn op hun hygiëne. Hij vliegt een zinloos bochtje naar het raam: pok. Ineens laat het wespje zich vallen, bovenop de vlieg. Het gezoem van wesp en vlieg klinkt driftig nu, venijnig. Na een minuut zoemt alleen de wesp nog, minder driftig nu. Als ik nader met de camera, laat de wesp de vlieg liggen en vlucht hij omhoog. De vlieg beweegt nog even een pootje en ligt dan stil. Op zijn rug, vliegen liggen op hun rug. De wesp is een vliegendoder: Mellinus arvensis. Hij zoemt langs het glas tot hij zijn kop stoot tegen een dwarslatje. Dan rust hij even uit, laat hij zich een vensterglaasje zakken en zoemt hijweer omhoog. Eindeloos langs het glas, altijd achter glas.