Weidemieren melken hun vee

mieren, © K. Dijksterhuis

Als u bij het spitten in de tuin eens een nest kleine, geelbruine mieren wakker schudt, zijn dat misschien gele weidemieren. Dat geel is een soort albinisme, gele weidemieren kunnen slecht tegen de zon en leven ondergronds. Ze vinden daar ook hun hoofdmaaltijd: honingdauw van wortelluizen. Die luizen leven van graswortels. Weidemieren graven gewelven voor de luizen, als opiumkitten waar ze gerieflijk aan het gras kunnen lurken. De mieren kunnen vervolgens gemakkelijk de lurkende luizen aflikken. Gele weidemieren koesteren luizeneitjes en kweken zelf de luisjes op. Luizenmoeders. Weidemieren zijn veehouders: ze fokken en melken hun vee.

Omdat wortelluizen van graswortels leven, nestelen weidemieren vooral onder gras. Boven een weidemierennest groeit dus gras, vaak in stevige pollen. De ene grassoort kan beter tegen luizenvraat dan de andere, en rood zwenkgras reageert op het geknabbel met een groeispurt. Laatst promoveerde Ciska Veen in Groningen op de invloed van gele weidemieren op de plantengroei. In de kwelder van Schiermonnikoog trekken de mieren rood zwenkgras voor, en wordt zeekweek verdrongen. De mierennesten steken als zwenkgraspollen boven de kwelderbodem uit. Hazen zijn dol op rood zwenkgras en versterken met hun bovengrondse geknabbel het mieren-en-luizeneffect, maar koeien maaien met hun nietsontziende graastong de graspollen helemaal weg. Dat overleeft zwenkgras wel, maar het plaatselijke effect van mierennesten wordt door koeien tenietgedaan.

Jammer, want kleinschalige variatie in reliëf en plantengroei maakt een landschap juist interessant – dat is ook de bedoeling van de koeien die overal als natuurbeheerder worden losgelaten.

Zonder spitwerk ziet u gele weidemieren alleen als ze op een warme dag uitvliegen. Dan komen er gevleugelde mannetjes te voorschijn, die zwart zijn en veel groter.