Waterplanten van schoon water

Waterdrieblad, © Jeanette Essink

Sommige waterplanten duiken ´s winters onder op de bodem. In de lente duiken ze weer op. In onze sloot was van de ene dag op de andere meters wateroppervlak bedekt onder de drijvende bladeren van de watergentiaan. Dat zijn mini-uitvoeringen van waterleliebladeren. De watergentiaan bedekte in één klap vijf vierkante meter. Het enkelvoud gentiaan is correct, want watergentianen houden van een weids gebaar. Meters drijfblad blijkt herleidbaar te zijn tot één waterplant. Na een week of vier bloeien de gentiaantjes nog niet. Krabbescheer is ook boven komen drijven en staat na een week al in bloei. Waterdrieblad heb ik hier nog niet gezien. Waterdrieblad, watergentiaan en krabbescheer wijzen alle drie op een redelijke waterkwaliteit. Waterdrieblad drijft niet op, maar onder water. De stengels zweven door het water, maar overwinteren in de modder. Net als watergentiaan wortelen ze in de bodem . Krabbescheer niet, krabbescheer drijft los van de bodem. Waterdrieblad neemt genoegen met ondiep water en zelfs een draslandje kan toereikend zijn als groeiplaats. Het liefst sopt de plant met zijn wortels in voedselarm, kalkrijk water. Driebladeren steken als drenkelingenhandjes uit het water. Ze lijken op forse klavers, op reuzenklavertjes-drie. Jammer dat ze het laten afweten. Bij Jeanette bloeien ze al, zie foto. Mooi hè, die tros van kleine bloempjes , een beetje harig en niet zo wit als krabbescheer, eerder gebroken wit. Dat hebben ze overgehouden aan het zweempje rood dat hen voor het ontluiken kleurde. Die rosse knoppen zitten bovenin de tros en kleuren fraai bij het wit eronder.

Na de bloei vormt de plant een soort peulen, met drijvende zaden die door eenden gegeten en uitgepoept worden, waarna ze ontkiemen.