Wat zingt daar?

Roodborst, © Erik Sanders

Een maand geleden hoorde ik de laatste tjiftjaf tjiftjaffen. De meeste zijn gepasseerd, maar er zijn er nog, tjiftjaffen, op doorreis naar Frankrijk en Spanje. Sommige blijven de winter hier. Zwartkopjes zijn er ook nog, eveneens op trek, naar Engeland bijvoorbeeld. Ook van deze soort blijven enkele de winter in Nederland. Maar zingen doen zwartkop en tjiftjaf niet meer. Tjiftjaffen zeggen hooguit een zacht ‘wiet’.

Roodborstjes blijven wel onvermoeibaar zingen. Dat klinkt vrolijk, en misschien zijn ze ook wel vrolijk. Al klinken roodborstjes een tikje melancholiek, en al zingen ze waarschijnlijk om andere roodborstjes te waarschuwen: hier zit ik, blijf weg. Want hoeveel roodborstjes er ook in de tuin doordringen, het zijn er zelden meer dan één tegelijk. Roodborstjes zien er lief uit, maar het zijn felle rakkers. Ik heb ze mezen, mussen en vinken zien wegjagen. Zowel mannetjes als vrouwtjes zijn geneigd overal een territorium te bevechten en te bezingen, ook als ze er maar kort verblijven. We mogen roodborstjes wel dankbaar zijn voor hun strijdlust, want daardoor horen we ’s winters nog fraaie vogelzang.

Er is nog een vogel die de hele winter noten op zijn zang heeft: het winterkoninkje. Die opdondertjes hebben een grote bek! Ze ratelen dwars door het gezang van roodborstjes heen. Ze zingen niet bijster melodieus, laat staan melancholisch. Ze wisselen een paar luide trillers en ratels af, een geluid dat vaak met een wekker wordt vergeleken. Een reiswekkertje dan toch.

Ondanks hun driftige geratel en hun einzelgang door bosjes, struiken en takkenbossen, verliezen winterkoningen hun argwaan jegens soortgenoten als het koud wordt. Dan kunnen ze met tientallen tegelijk in boomholten en nestkasten overnachten.