Wandelen in Vennebroek

Goudvink, © Jeanette Essink

Aan de noordkant van Paterswolde ligt het kleine landgoed Vennebroek van Natuurmonumenten. We stallen onze fietsen bij en toegangshek aan de Paterswoldse weg en wandelen de oprijlaanop, tussen rijzige eiken. Langs het koetshuis met informatiecentrum lopen we naar de villa Vennebroek, uit 1848. Er zijn nog heel wat paddestoelen te zien, in Vennebroek zijn al meer dan tweehonderd soorten gevonden. Vleermuizen zijn hier natuurlijk ook, maar overdag zie je die niet, en in november hangen ze in hun winterschuilplaatsen te winterslapen. Dat is wel zo veilig voor de nachtvlinders hier. Nu zijn er wintervlinders, maar afgelopen lente is in Vennebroek een Fraaie Walstrospanner gevangen. Die is nog maar een paar keer eerder in Nederland gezien en dan nog vooral in Zuid-Limburg.

We wandelen een ronde over de lanen, eiken en beuken, langs weilandjes naar een vochtig bosje. Boomklevers vliegen door de toppen, driftig klinkt hun ‘wiet wiet wiet’. Roodborstjes fluiten hun ijle liedje. Roodborstjes zingen zomer en winter, dag en soms nacht. We lopen om de villa heen, werpen een verre blik op het bijna zo statige en net zo mooie buurhuis: villa Weltevree, waar ik wel eens kwam toen het nog gekraakt was. Het zou het zomerhuis zijn geweest van de vroegere landheren. Ze woonden ’s winters in Vennebroek, ’s zomers in Weltevree, tweehonderd meter verderop.

Natuurmonumenten is hier verdraagzaam tegenover de waterspiegel, die zo hoog mag staan dat een stuk bos blank is gezet. De verdronken stammen spiegelen in het stille water. Een grote bont specht golft voorbij en ploft tegen een stam. Even verder ligt het Friese Veen, een afgraving die net als het Naardermeer als vuilnisbelt werd volgestort, tot invloedrijke lieden de waarde van het door mensen gemaakte landschap inzagen. Je kunt er nu roeiboten huren of omheen wandelen. Er is zelfs een vogelijkhut. Aalscholvers, futen, krakeenden. Om Friese Veen kun je lopen helemaal tot de Meerweg, die de plas van het Paterswoldse Meer scheidt. Het is een mooi pad met weidse uitzichten. Laarzen aan! We volgen het een eind en lopen weer terug. De zon breekt door, twee buizerds cirkelen mauwend boven ons, ze denken zeker dat het al lente is.

Aan het eind van het paadje, aan de Meerweg, zijn ’s zomers roeiboten te huur. Roeien in Friese Veen is voor Groningers als roeien in Botshol voor Amsterdammers. Je peddelt onder de over het water reikende takken door, langs bitterzoet en moerasandoorn, naar de plas met waterlelies en aalscholvers. Ik zag er een keer reeën het water oversteken. Alleen hun koppen staken uit het water, één met gewei.

Vennebroek

We lopen via een kleine omweg terug, over een dijkje. Onderaan de dijk staat een coniferenbosje; dicht en hoog verrijst het kerstgroen. Er voert een glibberig modderpad de coniferen in. Het moet een oude kwekerij zijn geweest. Er is veel gehakt en gesnoeid, een binnenplaats tussen de bomen ligt vol met een anderhalve meter dikke laag snoeihout. Een ondoordringbare wildernis waar een bunzing wel raad mee zou weten. Een winterkoninkje hipt over en onder de takken. We keren op onze schreden terug en horen een zacht, helder fluiten. Een goudvink zit in een conifeer. Oranjerood, grijs en zwart tegen donkergroen. Wat een plaatje…