Wachten voor de das

Dassen, © Maarten Westmaaswww.maartenwestmaas.nl

Dassen. Natuurfotograaf Maarten Westmaas vroeg of ik mee wou naar een burcht. Hij was er vorig jaar geweest en had er dassen gezien. Ik had al vaker een avond bij een bewoonde dassenburcht gepost, maar nog nooit een das gezien. Geeft niet, want je ziet altijd wat: reeën, uilen, een keer een stroper met Jack-Russels: dashondjes. Er zijn altijd lieden die dassen willen doden. Laatst vond een boswachter van Natuurmonumenten een rol prikkeldraad in een dassenburcht gepropt. Toch gaat het de dassen best goed. In Noord-Nederland zijn in de jaren ’80 en ’90 heel wat oude, verlaten dassenburchten opnieuw in gebruik genomen. Tot die tijd gingen dassen met een noodgang de otters achterna, die tot de laatste toe zijn doodgereden. Dassen volgen vaste routes en als ze een nieuwe weg tegen kwamen, staken ze die over: boem. Voor nieuwe wegen werden dassenburchten weggebulldozerd. Auto’s staan op eenzame hoogte in de hiërarchie van de Nederlandse cultuur en gaan voor alles. Jaap Dirkmaat richtte Das & Boom op en zijn medewerkers melding kregen van een doodgereden das met gezwollen tepels, zochten ze naar de burcht. Grotere jongen kwamen uitgehongerd naar buiten, jammerend om hun verdwenen moeder. Ze werden opgevangen en later bij verlaten burchten uitgezet. Zo hebben zich in Drenthe en Zuidoost-Friesland heel wat dassen gevestigd. En werd de das gered.

Vriendin en ik gaan mee, natuurlijk gaan we mee. We zitten op drie klapstoeltjes op zichtafstand van de burcht. Een dassenburcht kan tientallen meters lang en breed zijn. Er zijn oude holen en nieuw opgeworpen zandhopen. Dassen verbouwen en reinigen hun hol vaak. Het is windstil, de aansteker brandt omhoog, we kunnen niet boven de wind zitten. We praten niet, we bewegen niet. Altijd verbazend hoe snel je de neiging krijgt je bil te verschuiven, je benen over elkaar te leggen, een voet te verplaatsen. Het zoemt van de muggen. Ze prikken door onze sokken heen, ze zoeken landingsplekken op handen en oren. Merels, roodborstjes, houtduiven, een zanglijster, een tjiftjaf hoor ik. Hee, was dat een wielewaal? Nee, een merel. Toch een wielewaal. Of zingen ze samen? Nee, het is een spotvogel die een merel nadoet, met wielewaalklanken erdoor. Op de achtergrond brommen brommers en auto’s en ronkt een gevarieerd aanbod van machines.

Na anderhalf uur droom ik weg. “Koekoek!”, roept een koekoek me bij de les. Het begint te schemeren. Ook een bosuil ontwaakt: “oeh oehoe”. En uit het korenveld achter de bosrand klinkt het vinnige “tjip tedip” van een kwartel. Kwartels zie je vrijwel nooit, maar als je dat typerende roepje herkent, hoor je ze soms. Deze zomer zijn er veel kwartels; seizoensmigranten uit Zuid-Europa.

Maarten en ik fluisteren dat het niks wordt, dat we gaan. “Nee daar”, fluistert en wijst vriendin. Dertig meter rechts achter de burcht beweegt iets in de duisternis onder de bomen. Het komt dichterbij. Het is een das! Wat is hij groot! Minstens een meter lang is dat schommelende lijf. Zwart-wit gestreepte kop, een wit staartje. Wat een mooi beest en wat groot! Zo groot!

De das hobbelt de zandhoop op. Soms steekt hij zijn neus omhoog, soms kijkt hij even opzij. Hij snuffelt of kijkt niet naar ons, hij lijkt niets door te hebben. Dan komen er nog twee dassen bovengronds. Drie dassen! De andere zijn waarschijnlijk jongen, misschien van vorig jaar, want ze zijn al groot. Ze stoeien met elkaar achter een zandwal van de burcht, steken er soms bovenuit. Twee rollen stoeiend opzij, mooi in het zicht. Ze stoeien onbekommerd door. Dan verdwijnen ze alle drie als bij toverslag. “Waar zijn ze nou?” vraagt vriendin. Waarschijnlijk op strooptocht: slakken, wormen, muizennesten.