Waar één visdiefje is, zijn er meer

Visdiefje. Foto J.A. Leideritz

In de smalle rietkraag langs het meer in het midden van het land kwettert een kleine karekiet. Hij roept steeds ’karre karre karre kiet kiet’. Een vogel die zijn naam kent. Het is een prachtige lentedag, de eerste warme lentedag van het jaar en zeil- en motorboten varen langs.

Hé, het gekras van een visdiefje. Eindelijk, ik maakte me al ongerust, ze bleven wel lang weg dit jaar. Daar komt hij over het water aangevlogen, slank en sierlijk zoals het een stern betaamt. Waar één visdiefje is, zijn er vaak meer en nog twee passeren er. Ze zwenken, ze wieken, ze krassen, ze zitten achter elkaar aan. De volgende dag zijn ze terug in Groningen.

Visdiefjes zijn wit, met een split in hun staart. Hun vleugels zijn grijs van boven. Hun rode dievensnavel eindigt in een zwarte punt. Was die punt even helrood als de rest van de snavel, dan zouden ze geen visdieven zijn maar Noordse sterns. Die broeden aan de kust van Noord-Nederland of nog veel noordelijker: Schotland, IJsland, Scandinavië. Visdiefjes broeden zuidelijker. Noordse sterns zijn zeevogels, visdiefjes vissen ook in binnenwateren. Bij ons huis schuimen ze de sloten af, van begin tot eind, ze volgen vaste visroutes, ze bidden soms even voor hun eten.

Toen je vanwege mond- en klauwzeer nergens mocht komen, zag ik visdiefjes ’s avonds op bruggetjes in wandelpaden neerstrijken. Dat doen ze anders nooit. Ik vroeg me jaren af waar ze broedden. Ze moeten toch ergens broeden? Ondertussen ben ik erachter. Visdieven broeden graag op kale grond met schelpjes of steentjes. Onze visdiefjes broeden op het platte grinddak van een school, twee kilometer verderop.