Waakzame libel

© Herman Bink, Platbuik

De eerste keer dat ik er één zag, woonde ik nog maar net aan de rand van de stad. In de binnenstad zag ik ze nooit. Op een kaal uitsteeksel van een door segrijnslakken net zolang ontgroende gouden regen tot alle leven eruit was, streek een prachtige, gele libel neer. Hij bleef zitten in de zon, ik kon hem van vlakbij bekijken. Typisch een platbuik, een soort korenbout, zoals een libellenfamilie heet. Zijn brede, platte buik is maar een centimeter of vier, vijf lang. Hij ziet eruit als een gedrongen krachtpatser. Een mannetje kan blauw worden, een beetje wazig, alsof zijn lijf dun bedauwd is.

Een platbuik op zo’n uitstekende, kale tak doet meer dan zonnen. Hij loert om zich heen. Verschijnt er een andere platbuik of zelfs een andere grote libellensoort, dan snort de wachter eropaf om de ander weg te jagen.

Tenzij het een vrouwtje is natuurlijk. Dan zou het op een paring kunnen uitdraaien. Een platbuikenparing duurt kort voor libellenbegrippen: binnen enkele seconden is het al vliegend gepiept. Daarna zet het vrouwtje de bevruchte eitjes af, door haar achterwerk telkens in het water te dopen. Haar mannetje blijft bij haar en houdt getrouw de wacht. Dat kunnen wij zomaar ontroerend vinden. Wij vinden het kennelijk ontroerend als een man zijn vrouw continu in de smiezen houdt omdat zij, zodra zijn aandacht verslapt, met een andere vent aanpapt.

Platbuiken zijn er als de kippen bij als ergens een waterpartij wordt gegraven. Juist zo’n nieuwe vijver vinden ze fijn, want ze houden van kale oevers, zoals ze van kale takken houden. Platbuiken zijn de hele zomer te zien, maar het meest in mei en juni.