Vuurwerk

Vuurwerkafval op nieuwjaarsdag 2012. Foto Koos Dijksterhuis

Een verbod op vuurwerk zou net zoiets zijn als een verbod op te hard rijden, op geluidsoverlast, op openbaar roken. Zo’n verbod gaat in tegen de lawaaiige tijdgeest van ieder voor zich en rook voor ons allen. Bezoek een groot popconcert, een discotheek of dansfeest en je ziet dat plezier vereenzelvigd wordt met lawaai, licht en rook.

In de discussierubriek van Wilma Kieskamp had ik woedend geraas verwacht, maar alle deelnemers blijken te porren voor een vuurwerkverbod. Ook niet-Trouw- lezers omarmen het vuurwerkverbod. Vier van de vijf Nederlanders schijnt een hekel te hebben aan vuurwerk.

Oudejaarsavond bracht ik door in gezelschap van tientallen mensen, de meesten begin twintig. Ik had veel vuurwerk verwacht, maar niemand had het. Niemand! Om middernacht gingen we naar buiten. Er riep een bosuil.

In Frankrijk maakte ik in een dorpje mee dat de buren elkaar ’s nachts met champagne een goed jaar toewensten en lawaai maakten met lepels en pannendeksels. Dat klinkt oubollig maar was leuk. Je schoot niet telkens van schrik een eindje de lucht in als er weer een pantservuist of lawinegranaat ontplofte.

Mijn vader vertelde dat in zijn jeugd tot 1940 het nieuwejaar met gekleurde lampen en klingelende bellen werd ingeluid. Onze eeuwenoude vuurwerktraditie stamt van na de oorlog.

Los van de gewonden, de doden, de stress en de schrik zorgt vuurwerk voor een luchtvervuiling van Chemie-Pack-achtige proporties. De kleurtjes danken we aan zware metalen als cadmium en magnesium, giftige fijnstoffen die lang onder de deken van kruitdampen blijven hangen.

En dan het slagveld de volgende dag. Zoals vriendin het zei: ‘nooit ziet het land er zo troosteloos en deprimerend uit als op nieuwjaarsdag’.