Vurige wantsen

Vuurwants, © K. Dijksterhuis

De zwart met knalrood gekleurde vuurwantsen zijn talrijk in Zuid-Europa en worden in Nederland allengs algemener. Ze kunnen met tientallen om een lindeboom krioelen. Dan zuigen ze sappen uit de boom die daar best tegen kan, omdat de wantsen het liefst afgevallen blad en zaden uitzuigen. Vuurwantsen knabbelen ook van dode insecten, het zijn alleseters. Hun felle rood schrikt volgens de gangbare verklaring vijanden af. Rood zou vies zijn. Toch herinner ik me een onderzoek waarbij allerlei zangvogels wantsen in allerlei kleuren gepresenteerd kregen. Bovendien werden bruine wantsen vergeleken met bruine wantsen die roodgeverfd waren. Het effect van de kleur bleek nihil: bruin en rood vonden evenveel aftrek, hoewel sommige vogels beide kleuren versmaadden. Mijten – geduchte vijanden van wantsen – maken al helemaal geen onderscheid tussen kleuren.

Vuurwantsen kunnen niet vliegen, hun vleugels zijn afgestompt en verhard. Soms komt echter een wants met vleugels ter wereld en een enkele keer draait een onfortuinlijk exemplaar rondjes met één vleugel. Of er één of twee vleugels groeien en hoelang die dan zijn, hangt af van de temperatuur, van de vuurwantsbevolkingsdichtheid en van chemicaliën in de strooisellaag. Dit alles is in laboratoria onderzocht – vuurwantsen zijn geliefde proefkonijnen.

parende vuurwantsen, © K. Dijksterhuis

Vuurwantsen fokken ook als konijnen. In een wantsengroep zijn altijd veel nimfen te vinden, jonkies, en van paren kunnen vuurwantsen geen genoeg krijgen. Eindeloos struinen ze twee aan twee rond, hun vurige kontjes met elkaar vervlochten. Volgens biologen houden mannetjes zo hun rivalen buiten de deur. Zal best, maar ik denk dat geen wants daar tijdens de daad aan denkt. De vrouwtjes al helemaal niet. Ik denk dat ze het zo prettig vinden, dat ze van geen ophouden weten.