Vroege katjes

Hazelaarkatjes in de sneeuw, © K. Dijksterhuis

Hazelaars staan te boek als naaktbloeiers. Dat wil zeggen dat ze eerst hun bloemen laten bloeien en pas later bladeren vormen. Forsythia doet dat ook, wintersneeuwbal, els. Handig voor de bestuiving, dat er geen blad in de weg zit. Hazelaars horen in januari te bloeien. Maar ze bloeien nu al, in de sneeuw, terwijl ze hun wilde bladeren nog niet eens hebben afgeschud. Bloeien is een groot woord voor die grijsgroene slurfjes, de mannelijke katjes. De rode, vrouwelijke minibloempjes houden zich nog koest, hoewel er al een rossig puntje doorschemert.

De besneeuwde katjes hangen in het Scharlakenbos, een bosje bij het zwembad van Haren. Het bosje is kletsnat en modderig. Onder de onbevlekte sneeuw is de modder niet te zien, we zakken onverwacht in diepe plassen, knisperend van ijskristallen. Schoenen raken doorweekt van modderwater, hier houden alleen laarzen voeten droog. Maar laarzen houden ze niet warm. Snel doorstappen dan maar.

Roodborstjes hippen over de besneeuwde takken. Een winterkoninkje scharrelt voor ons uit. Wat zullen ze zich moeilijk warm kunnen houden. Zo klein, die moeten elke paar uur wat eten. In een bevroren bos zonder vetbollen moeten ze maar net op tijd een insect vinden.

We lopen tot in Glimmen, zoeken een andere route terug. Nee, niet langs de autoweg. Maar binnendoor loopt elk pad dood op prikkelschrikdraad. Schrikkeldraad. Dan maar eroverheen. dwars door sloten en bosjes, je zou het avontuurlijk kunnen noemen. Gaaien schreeuwen in de bomen. Boomklevers roepen terug. Allebei liefhebbers van hazelnoten. De noten zijn al opgeborgen of opgegeten. De katjes zorgen volgend jaar voor nieuwe. De hazelaars zijn er vroeg bij, vroeg als de winter zelf.