Vogels voor de poes

Huiskat, foto Koos Dijksterhuis

Nu de winter voor de deur staat, kunnen we de vetbollen uit het vet halen. Mijn tuin is een verkeersader voor katten. Ik las laatst hoeveel vogels katten per jaar gemiddeld doden. Miljoenrn. Ik hang vetbollen, zaden en nestkastjes op en vrees een kwekerij van kattenvoer te runnen. Nou ja, kattenvoer… Ze zeggen dat weldoorvoede huiskatten vooral spelen met hun prooi. Spelen klinkt lieflijk voor het met lange nagels in gewonde, weghinkende vogels en muizen slaan. Katten zijn volgens hun baasjes onmogelijk binnen te houden. Een uitzondering zijn katten wier voorganger onder een auto kwam. Een vriend van me heeft dat meegemaakt, een verdrietige ervaring. Zijn nieuwe kat blijft altijd binnen. Ook dure raskatten kunnen verrassend goed binnenblijven.

Affijn, het wemelt van de katten, daaraan is niets te doen. Ik wil toch graag vogels in de tuin, vogelhulp is hulp in wederzijds belang, en ze weten mijn tuin te vinden. In het gevallen blad van de kersenboom scharrelden merels, roodborstjes en vinken. Ik heb het toch van het pad en het gras geharkt. Het gras is zelfs nog een laatste keer gemaaid. Ik dacht even: dat zullen ze niet leuk vinden, maar ik vergiste me, natuurlijk vergiste ik me. Onder het blad ging een legertje kruipers schuil, evenals halve appels en klokhuizen van weleer. Deze dis kwam beschikbaar. Daarbij zijn tussen kort gras wormen bereikbaarder. Er hipten vier merels rond, twee vinken, een roodborst en een turkse tortel. Die tortel hipte trouwens niet, hij schreed. Een winterkoning kwam voobij. Kauwtjes, eksters en een Vlaamse gaai ploften temidden van de kleine vogels, die plaats maakten. Er landde zelfs een koperwiek.

Ze leidden me wel af van mijn werk, die vogels, tijdens het schrijven houd ik mijn verrekijker bij de hand. Maar wat is het leuk, dat gescharrel en gefladder zo vlakbij. Ik strooi wat oud brood, vooral in trek bij eksters en kauwtjes. Vrrrroemm, weg vliegt de hele troep. Een kat sluipt door de tuin. De kat zet zich neer bij het brood en schrokt het naar binnen. Katten kunnen niet eten, ze kunnen alleen schrokken. Het ziet er kokhalzend uit, alsof ze zich zo snel mogelijk ongans vreten en het dan weer uitkotsen. Daartoe eten ze eerst wat gras. Ja, dat eten ze, ze kunnen dus wel eten!

Ik vind katten prachtige beesten en katten zijn vaak op mij gesteld. Ik verblijf dikwijls in huizen met katten (er zijn nauwelijks huizen zonder) en ze komen altijd kopjes geven en op schoot zitten. Als ik de fase doorsta dat ze hun boezemvriendschap voor het leven aanbieden, door met opgestoken staart hun gat in mijn gezicht te proberen duwen, vlijen ze zich spinnend over mijn bovenbenen. Ze genieten zichtbaar van ieder aaien en kroelen. Tjonge, wat kunnen katten genieten!

Katten zijn individualisten, in de natuur leven ze alleen. Honden zijn groepsdieren, ze moeten rekening houden met de horde en vooral met de hiërarchie. Mensen die van katten houden, zijn vaak geen hondenliefhebbers. Honden, snuiven ze, zijn slaafs. Zij geven hoog op over hun trotse, onafhankelijk kat. Die doet wat niet mag lekker toch. Het straalt een beetje op hen af. Ook zij zijn onafhankelijke geesten, creatief, initiatiefrijk. Geboren leiders. Maar het tegendeel is natuurlijk waar. Iemand die graag een kat in huis heeft, moet volgzaam zijn. Iemand die liever de touwtjes in eigen handen houdt, kan beter een hond nemen.

Die vogels zal het worst zijn, of ze door de kat of de hond gebeten worden.