Vogels kijken in Europa’s grootste stad

Schreeuwarend, © J.A. Leideritz

De herfst is aangenaam in Istanboel. De toeristische drukte is voorbij en de kastanjes worden geroosterd. Maar bovenal zijn in Europa’s grootste stad nu trekvogels te zien.

Ooievaars, arenden en andere roofvogels passeren Istanboel. Grote vogels zijn te zwaar om Afrika op eigen spierkracht te bereiken. Liever cirkelen zij op thermiek, gedragen door warme lucht, naar duizelingwekkende hoogten om dan in lange glijvluchten af te zeilen. Boven water is geen thermiek en daarom mijden grote vogels de Middellandse Zee. Zij volgen de kust en steken boven Istanboel de Bosporus over. Op goede dagen trekken er duizenden vogels per dag over Istanboel. Zij trekken weer vogelaars.

De ooievaars zijn grotendeels gepasseerd, de zwarte ooievaars nemen het stokje over. Die hebben een minstens zo vuurrode snavel, maar een zwarte hals. Doorgaans laten zij zich lastig zien, maar in Istanboel zijn ze niet te missen.

Aan de overkant van de Bosporus, in het Aziatische Üsküdar, ligggen twee heuvels: de Büyük Çamlica en de Kücük Çamlica, spreek uit buujuuk (grote) en kuutsjuuk (kleine) tsjamliedza. Van die heuvels kun je de vogels over de stad zien naderen. Bij de Galatabrug steken de veerboten van wal naar Üsküdar.  We vragen een buschauffeur welke bus naar de çamlica’s gaat. We zeggen ‘Koesj’, Turks voor vogel, en tonen onze verrekijkers. Breed lachend wijst men ons de bus. Vanaf de bushalte is het een korte klim door het park. De horecakeuze is op de kleine heuvel krap en op de grote ruim. De Büyük is een geliefde zondagsplek voor Istanboelers. Je loopt in twintig minuten van de ene naar de andere heuvel. Op de Kücük staat een vogelaar uit Groningen door zijn kijker naar Europa te turen.

Een zwerm van honderd zwarte ooievaars tegen de blauwe lucht is een belevenis, maar honderden sperwers laag bij de grond zijn evenmin te versmaden. Drieduizend sperwers op een dag? Hier geen uitzondering. ’s Morgens passeren ze zo dichtbij, dat de verrekijker nier meer scherp te stellen is. Ze zoeven je om de oren. Maar ‘s middag is er thermiek en vliegen ze hoog. Dan komen ook de buizerden en arenden op gang. Buizerden en de op hen lijkende wespendieven passeren in een gestage stroom. Met een spanwijdte van ruim een meter geen kleine jongens. Toch vallen ze in het niet bij de honderden schreeuwarenden die statig overzeilen, in het typische arendsilhouet met gevingerde vleugels. De slangenarenden met hun lichte buik en grijze hals zijn zeker zo imposant en de wat kleinere dwergarenden kunnen prachtig zwart-wit zijn. In een blocnote turven we de vogels – ze zijn nauwelijks bij te benen. Vlakbij scheren hoppen over, bijeneters en een boomvalk. Vanaf het terrasje in het park zijn spechten te zien en kleine vliegenvangers. Op de boot over de Bosporus scheren vlak boven het water pijlstormvogels in rechte rijen voorbij.

(Morgen, 10-10-10, organiseert de KNNV een landelijke natuurdag met excursies die niet uitsluitend om 10.10 beginnen, zie www5.knnv.nl/10-10-10-natuur-moet-je-zien)