Vogels als quantumdeeltjes

Koolmees. Foto Koos Dijksterhuis
Koolmees. Foto Koos Dijksterhuis

Het was tuinvogeltelling, het evenement waarmee Vogelbescherming de mensen warm wil maken voor vogels. Ik liet het tellen aan mijn geliefde over. Nu weet ik dat het niet aan mij ligt.

Vaak kijk ik even de tuin in. Als zich daar geen kat bevindt, zie ik bijna altijd koolmezen, pimpelmezen, een roodborstje, wat vinken en twee merels. Dagelijks hippen er eksters rond, inspecteren kauwtjes het voedselaanbod en roffelt er een specht tegen de boom. Minder vaak dan vroeger maar regelmatig stappen houtduiven en Turkse tortels door de tuin, en wekelijks jaagt een gaai de boel op stang.

Soms komen staartmezen voorbij, boomkruipers, huismussen, heggemussen en winterkoninkjes. De groenlingen die ik voorheen dagelijks over de vloer kreeg, zijn er niet meer.

Zondagmorgen was ik eerder op dan de zon. Ik lette er niet speciaal op, maar en passant zag ik in het ochtendkrieken de heer en mevrouw merel, het echtpaar ekster, kool- en pimpelmezen en een roodborst. Maar toen mijn geliefde zich voor het raam installeerde, was er geen veertje aan de lucht.

Van lieverlee noteerde ze de overvliegende vogels maar, tussen haakjes; had ze tenminste wat. Kokmeeuw, ekster, zwarte kraai (2), aalscholver, tamme duif (5), kokmeeuw. Ik herkende de frustrerende gang van zaken van eerdere tuinvogeltellingen, en adviseerde haar het halve uur in te laten gaan nadat ze een vogel had gezien. Maar nee, dat was volgens haar niet volgens de regels. Ik wist dat discussie zinloos was. Als je iets van mijn geliefde gedaan wilt krijgen, moet je zeggen dat het de regel is. Na een half uur ging haar wekkertje. Ze heeft de 0-stand niet doorgegeven, wat, als dat vaak gebeurt, volgens mij de uitslag een rooskleurige draai geeft.

Volgens mijn geliefde gedroegen de vogels zich als quantumdeeltjes. ‘Als je ze waarneemt, gedragen ze zich anders’, zei ze. Peinzend keken we uit het raam. In de tuin werd gehipt en gefladderd.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 2 februari ’22)